Niets deugde in de kolonie. De natuur was lelijk, het voedsel was smurrie, de hitte niet te verdragen, de Indische vrouwen oppervlakkig en berekenend, en de koloniale blanke Indischman een patser en een ordinaire schuinsmarcheerder. Aldus Bas Veth, de schrijver van ‘Het leven in Nederlandsch-Indië’ (1900). Hans Vervoort gaat op zoek naar de man achter de schrijver.
Door Hans Vervoort

Bas Veth (1860-1922)
Zelden heeft een boek zoveel opschudding verwekt als Bas Veth’s in 1900 gepubliceerde Het Leven in Nederlandsch-Indië, waarin hij getuigde van zijn haat voor alles wat de kolonie hem geboden had in de twaalf jaar dat hij er verbleef als handelaar in ongeregeld goed, van 1879 tot 1891.
Negen jaar later barstte zijn vulkaan open en vulde hij 255 pagina’s met haat en vervloeking.
Niets deugde in de kolonie. De natuur was lelijk, het voedsel was smurrie, de hitte niet te verdragen, de Indische vrouwen oppervlakkig en berekenend, en de koloniale blanke Indischman een patser en een ordinaire schuinsmarcheerder.
De eerste indruk die de kolonie op hem maakte was overweldigend meldt hij eerlijk in het boek:
‘Die eilandjes voor Padang! Dicht-groene palmbosschen, door fel-gelen strandrand gescheiden van de bekoorlijke diepblauwe zee. En een klein hutje, verscholen in de schaduw van de overbuigende palmbladeren. En een schuitje, klein, met vlerkjes links en rechts, om licht te dobberen op de golven, drijft, voortgestuwd met pagaaien, bewogen door naakte, bruine armen, op den immensen oceaan.’
Maar na 12 jaar verblijf in de tropen is er niets meer over van die bewondering:
‘Het indische landschap geeft geen vreugde. (…) De Europeaan krijgt, levende in die natuur van troostelooze, eentonige en eenzelvige grootheid, onweerstaanbaren lust er uit te vliegen om weer te kunnen zien hoe in ’t voorjaar de europeesche natuur vol lachen en jolen en pret ontwaakt, – hij verlangt innig naar de groene weiden en de weidenbloemen, naar ’t teere, jonge bladgroen, dat zoo lief de bosschen tint, naar een frisschen wind, die mooie, volle wolken levendig doet voorbijdrijven en ’t water van de plassen zoo keurigjes rimpelt, naar de vogels die zingen in de lucht, naar de vroolijke kleuren der velden en der mooie koeien en kalveren die er grazen, naar de herfst-nuances, naar den winter met zijn kale boomen en zijn sneeuw en zijn vorst.’ Lees verder →