In sarong en baadje

De Haagse opvang van zeebaboes

Naarmate meer families op en neer reisden tussen Nederland en Nederlands-Indië, werden ook steeds meer bedienden meegenomen. Het begrip ‘zeebaboe’ deed zijn intrede voor de Indonesische vrouwen die meereisden om het – vooral blanke – grut onderweg te verzorgen. Na hun aankomst in Nederland was niets voor hen geregeld en hadden zij geen onderdak, – reden voor de vereniging Oost en West om in 1918 tot de oprichting te komen van “Persinggahan”, het tehuis voor Nederlands-Indische bedienden aan de Van Boetzelaerlaan 2 te Den Haag. De leiding werd toevertrouwd aan de Indië-zendeling F. de Munnik en zijn echtgenote W. S. C. de Munnik- Creutzberg.

"Persinggahan", 1919

“Persinggahan”, 1919

Uit het Geïllustreerd weekblad voor Nederland en Koloniën, 12 januari 1921:

Vraag: Is het toezicht op 2 kinderen (1 en 3 jaar) aan boord Ie klasse, bij mogelijke zeeziekte der ouders voldoende, om de reis zonder zeebaboe te ondernemen? De moeder is niet gewend de verzorging, aan anderen over te laten en zal dus alleen bij ongesteldheid hulp noodig hebben. J. R. B. te R.
Antwoord: Het toezicht aan boord op kleine kindertjes is onvoldoende. Er is slechts één linnenjuffrouw, die enigszins toezicht houdt bij haar andere werk. Men moet er zelve op passen, ingeval van zeeziekte de kleintjes in de hut bij zich houden of in een kleine babybox aan dek. Een zeebaboe is tamelijk duur, doch wel te bekomen in “Persingahan”. Wend U voor dat doel tot den Directeur, den heer F. de Munnik. Telef. Scheveningen 248.”    Lees verder

Geplaatst in 1. Het vooroorlogse Nederlands-Indië | Tags: , , , , , , | 16 reacties

Zeepost 2012/12

Vragen en oproepen van lezers

Op zoek naar familie gesneuvelde soldaat

H.J.H. Bos (1928-1948)

H.J.H. Bos (1928-1948)

Onlangs is mijn vader, A.A. (Bram) van der Bijl, overleden. In maart 1947 is hij met de Sloterdijk naar Indië vertrokken, en werd daar ingezet als marinier I bij het IV Inf. Bataljon van de Marine Brigade. Hij is teruggekomen in november 1950.

Ik ben nu bezig om alles van vroeger een plekje te geven. Bij het doornemen van zijn foto´s kwam ik een bidprentje tegen van een gesneuvelde soldaat, Harmannus Johannes Heiko Bos. Volgens het kaartje is hij geboren in Groningen 19 september 1928 en gesneuveld op 19 Januari 1948, op 19-jarige leeftijd, te Josoliwangoen (Loemadjan, Oost-Java). Mijn vader had ook een foto van zijn begrafenis, op 20 januari 1948. Lees verder

Geplaatst in 91. Zeepost | Tags: , , , | 8 reacties

“Verboden voor inlanders en honden”

“Op zondagen hingen we rond bij het Tjikini-zwembad, met zijn beruchte opschrift: ‘Verboden toegang voor inlanders en honden’ en probeerden conflicten uit te lokken met Hollandse jongens van onze leeftijd. Maar die gingen daar meestal niet op in, ze hadden geen zin in een bloedneus, terwijl wij juist trots waren op een blauw oog of een gezwollen lip: ‘gewond in de strijd voor een vrij Indonesia’ noemden we dat. Futiel en kinderachtig misschien, maar het vervulde een psychologische behoefte.”
Mochtar Lubis (1922-2004)

Zweefduik

Zweefduik

Hoeveel is er al niet gezegd en geschreven over dat opschrift Verboden voor inlanders en honden? Of, zoals sommigen zeggen: Verboden voor honden en inlanders? Een korte zoektocht op het internet levert al snel tientallen verwijzingen op. In verschillende Indonesische blogs wordt schande gesproken van deze tekst, echter ook in Nederlandse bronnen blijft hij niet onvermeld. In 2007 werd in examenmateriaal voor het VMBO een foto getoond van het zwembad Tjikini in Batavia, met als onderschrift dat hier in 1936 een dergelijke tekst heeft gehangen; de website van de schooltelevisie maakt melding van bovenstaande herinneringen van de Indonesische schrijver Mochtar Lubis. Met andere woorden: zowel in Indonesië als in Nederland wordt de tekst gezien als schoolvoorbeeld van koloniale onverdraagzaamheid.

Afbeeldingen van de tekst of het bordje zijn echter niet bewaard gebleven, en de getuigenissen zijn even spaarzaam als onderling contradictief. Om te beginnen is al niet duidelijk waar een dergelijke tekst zou hebben gehangen. De bronnen spreken van de sociëteiten Concordia (Bandoeng) en Simpang (Soerabaja) en van het zwembad Tjikini in Batavia, maar ook van andere plaatsen. Evenmin is duidelijk wanneer, of in welke taal. De omvang van de verontwaardiging lijkt omgekeerd evenredig aan het aantal concrete meldingen. Moeten we hier slechts spreken van post-koloniaal politiek correct denken, gebaseerd op verdraaingen of verzinsels? Of zijn de meldingen naar waarheid? En indien zo, is de publieke verontwaardiging dan ook terecht?
Om deze vragen te kunnen beantwoorden volgen we hier de geschiedenis van het zwembad Tjikini in Batavia, één van de drie genoemde ‘boosdoeners’ . Had Mochtar Lubis gelijk toen hij sprak over een opschrift op Tjikini van ‘Verboden voor inlanders en honden’?    Lees verder

Geplaatst in 1. Het vooroorlogse Nederlands-Indië | Tags: , , , , , , , , , , | 57 reacties

Batavia in beeld

Het filmmateriaal van Nederlands-Indië is betrekkelijk schaars. Toch verschijnen de laatste tijd steeds meer bewegende beelden op het internet, zij het dat het soms eerder vertoond materiaal is in nieuwe bewerking.

Deze keer schenken we aandacht aan twee films van Batavia.
De eerste, volgens de titel gemaakt tussen 1910 en 1915, toont ons een stadstour van Tandjoeng Priok naar Meester Cornelis, en valt op door de beelden van het vele groen en de rust die de stad destijds nog uitstraalde. Het doet denken aan een bewegend Google Street View, maar dan een eeuw geleden:

x    Lees verder

Geplaatst in 1. Het vooroorlogse Nederlands-Indië | Tags: , , , , , , , | 66 reacties

De cijfers van de Minister

Het aantal militaire deserteurs in Nederlands-Indië

In antwoord op enkele Kamervragen van leden Timmermans en Heijnen (PvdA), over mogelijk eerherstel van militairen of burgers die tijdens de Politionele Acties hadden gedeserteerd c.q. werk hadden geweigerd, antwoordde de vorige Minister van Defensie, de heer Hillen, op 17 september j.l. onder meer het volgende:

Onderweg naar Indië

“In de periode van 1945 tot 1950 hebben ongeveer 2 000 personen een beroep gedaan op de Dienstweigeringswet van 1923 om te worden vrijgesteld van militaire dienst in Nederlands-Indië. In 788 gevallen is een beroep op de Dienstweigeringswet gehonoreerd. Voorts zijn 4 025 militairen gedeserteerd voorafgaand aan de uitzending naar Nederlands-Indië. Van hen zijn 2 565 militairen uiteindelijk berecht. Tijdens de politionele acties zijn twee militairen gedeserteerd. Omdat de archieven van de militaire strafrechtspraak uit die tijd niet meer volledig zijn, is het aantal gevallen van dienstweigering door militairen tijdens de politionele acties niet vast te stellen. Ook is er geen inzicht in het aantal personeelsleden van andere overheidsdiensten of van de toenmalige Nederlands-Indische overheid dat heeft geweigerd deel te nemen aan de politionele acties en daarvoor is gestraft.”[1]

Met andere woorden, de Minister zegt dus dat na hun aankomst in Nederlands-Indië twee militairen zich aan Republikeinse zijde hebben geschaard, en dat een onbekend aantal militairen dienst heeft geweigerd zónder over te lopen.    Lees verder

Geplaatst in 3. Bersiap en Merdeka, 1945-1949 | Tags: , , , , , | 8 reacties

Allergisch voor gezag

Johan Cornelis Princen gaf tijdens de oorlogsjaren in Nederland al blijk van een onafhankelijk karakter. Bij een poging te vluchten naar Geallieerd gebied werd hij door de Duitsers gevangengenomen. De bijnaam Poncke kreeg hij in de gevangenis omdat hij daar met veel gevoel voorlas uit het boek Pastoor Poncke van Jan Eekhout.  Als dienstplichtige kreeg hij nationale bekendheid omdat hij in 1947 deserteerde en overliep naar het Indonesische leger TNI (Tentara National Indonesia). Piet Scheele, een andere dienstplichtige, vroeg zich later af: mag hem zijn desertie worden vergeven?

Door Piet Scheele

J.C.’ Poncke’ Princen (1925-2002)

Poncke Princen schoot op eigen maats. Vaak sprak hij dat tegen, doch niet altijd. Hij verhaalde met trots, dat ‘deserteur Princen’, in de Preanger Bode van 4 juli 1949 werd genoemd als leider van een overval. Er vielen twee doden aan Nederlandse zijde. Princen moest zijn loyaliteit ook aan de andere kant bewijzen omdat hij als Nederlander toch door de Indonesiërs met wantrouwen werd bekeken.

Poncke Princen beklaagde zich over de haat die zijn overlopen opriep bij zijn maats, de vele dienstplichtige Nederlandse militairen die in Indië dienden. Die haat was echter begrijpelijk als je bedenkt hoe wij daar leefden. Onze sectie van 12 jonge militairen leefde in Indonesië samen als een eenheid meestal op een buitenpost onder bijzondere en soms gevaarlijke omstandigheden. We rekenden op elkaar. Op patrouille en ‘s nachts werden we soms beschoten. We stonden op wacht, deelden spanningen en vertelden elkaar in het nachtelijke duister vertrouwelijke zaken. We waren een soort familie. Als er één van de maten naar de vijand overloopt, op je schiet, je op een trekbom probeerd te laten lopen of je in een hinderlaag lokt, dan is haat geen verwonderlijk resultaat. Zeker niet als één van je maats sneuvelt. Als je beschoten wordt zie je de mensen aan ‘de andere kant’ als vijanden.   Lees verder

Geplaatst in 3. Bersiap en Merdeka, 1945-1949 | Tags: , , , , , | 99 reacties

“Soms denk ik aan de kist en sla de deksel open”

Een introductie in het leven en werk van Maria Dermoût (1888-1962)

Van Maria Dermoût (meisjesnaam Helena Antonia Maria Elisabeth Ingerman) is bekend dat zij eerst op latere leeftijd begon te schrijven. Bijzonder des te meer, omdat zij lang na haar vertrek uit de tropen, in 1933, uitsluitend het leven in Nederlands-Indië onderwerp liet zijn van haar vertellingen. Zij was daarmee in de jaren ´50 en ´60 van de vorige eeuw iemand die bij uitstek werd gezien als vertegenwoordigster van het Indisch erfgoed.
Een introductie van de hand van haar kleindochter Maria de Bruyn Ouboter:

Door Maria de Bruyn Ouboter

Maria Dermoût (1888-1962)

Mag ik U hierbij mijn grootmoeder de schrijfster Maria Dermoût introduceren?  Zij wist als geen ander het oude Nederlands Indië te voorschijn te toveren.  Haar werk speelt zich af in het vooroorlogse Indië en haar boeken zijn doortrokken van een oosterse sfeer, niet alleen door de beschrijving van de inheemse mensen, dieren, planten en dingen maar ook door het gebruik van Indische geschreven en gesproken overleveringen. Je ruikt het oosten als het ware.

Op 20 oktober 1950 – nu 62 jaar geleden- ontmoet zij Alice von Eugen van Querido’s uitgeverij. En het jaar daarop verschijnt haar eerste boek Nog pas gisteren over haar jeugd op een afgelegen suikeronderneming in Java aan het eind van de vorige eeuw. Het boek was niet vlot tot stand gekomen. Een eerste versie van het manuscript was verloren geraakt in de septemberdagen van 1944 toen de Dermoûts moesten evacueren uit Arnhem. Vlak na de oorlog schreef ze het opnieuw op en omdat ze er toch nog erg onzeker over was, stuurde ze die versie aan een vriendin Sylvia Brandts Buys, toen redactrice bij het weekblad Elsevier. Deze raadde haar aan om er meer mensen in te verwerken en er op die manier een kleine roman van te maken. Maria nam die raad ter harte en voegde er nog een kleine liefdeshistorie aan toe. Na enige tijd – ondertussen is het manuscript nog eens weggeraakt – komt het uiteindelijk terecht bij de Arnhemse schrijver Johan van der Woude, die meteen moeite begint te doen om het ergens te laten uitgeven. Na twee vergeefse pogingen bij andere uitgeverijen stemt Alice von Eugen direct toe. De schrijfster is dan 64 jaar en het spoort haar aan om ook ander werk dat zij in portefeuille  heeft te herschrijven en aan te vullen. In de tien jaar die haar dan nog resten schrijft ze nog een grote roman De tienduizend dingen, haar meesterwerk dat op Ambon speelt, en een aantal verhalenbundels. Haar werk wordt in 13 talen vertaald en vooral de Amerikaanse vertaling van De tienduizend dingen zal veel succes hebben. Ze krijgt vele goede kritieken en literaire prijzen.    Lees verder

Geplaatst in 1. Het vooroorlogse Nederlands-Indië | Tags: , , , , | 13 reacties