Selamat Sjabbat

Joods Historisch Museum toont het onbekende verhaal van joden in Nederlands-Indië

Selamat Sjabbat

Selamat Sjabbat

Het Joods Historisch Museum presenteert van 13 oktober 2014 tot en met 8 maart 2015 de tentoonstelling Selamat Sjabbat. De onbekende geschiedenis van joden in Nederlands-Indië. De expositie neemt de bezoeker mee naar het einde van de negentiende eeuw, de koloniale tijd, de oorlog in de Pacific en de naoorlogse situatie. Unieke historische objecten, foto’s en interviews onthullen ontroerende verhalen. Het hedendaagse joodse leven in Indonesië is begin 2014 gefotografeerd door Pauline Prior.

Het is voor het eerst dat er in een tentoonstelling aandacht wordt besteed aan het joodse leven in Nederlands-Indië en Indonesië, een relatief onbekend deel van de Nederlandse en joodse geschiedenis. Na de oorlog werden de Indische herinneringen overschaduwd door de Sjoa. De afgelopen decennia neemt de belangstelling voor de Tweede Wereldoorlog in de Pacific toe.   Lees verder

Geplaatst in 2. Japanse Bezetting, 1942-1945 | Tags: , , , | 7 reacties

Op weg naar het eeuwige leven

En Jezus trad naderbij en  sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Gaat dan henen, maakt alle volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat ik u bevolen heb. En zie, Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld.’
Mattheus 28:18-20

munsonTijdens het Engelse tussenbestuur (1811—1825) begaven de eerste zendelingen zich naar het Batak-land in Midden-Sumatra. Mogelijk was het de Britse zendeling Burton die als eerste een poging waagde in de richting van het Toba-meer te reizen. Na in Sibolga een weinig Bataks te hebben geleerd, begaf hij zich in 1824 naar de hoogvlakte van Silindoeng om daar de verzamelde hoofden toe te spreken. Het verhaal gaat dat hij zich nogal onhandig uitdrukte. Terwijl hij wilde zeggen: „De mens verhovaardige zich niet, doch verootmoedige zich”, zei hij dat de Bataks klein gemaakt zouden worden, – natuurlijk geen goed begin voor een eerste kennismaking. De Bataks namen dan ook een dreigende houding aan, en Burton vluchtte terug naar de kust.

Misschien herinnerden de Bataks zich vijf jaar later zijn boodschap nog. Een naburig moslimvolk, de Padri´s, trok tussen 1828-1830 Batakland binnen en liet er een spoor van verwoesting achter. Was dít misschien waar de blanke man op had gewezen?

De volgenden die een poging waagden waren Henry Lyman en Samuel Munson, twee jonge Amerikaanse zendelingen van de Baptistengemeente in Boston. Ze waren diepgelovig, en vastberaden de heidenen de leer van Christus te verkondigen.
Op 10 juni 1833 scheepten ze zich samen met hun echtgenotes in op het zeilschip Duncan.    Lees verder

Geplaatst in 1. Het vooroorlogse Nederlands-Indië | Tags: , , , , , | 7 reacties

‘Amok! Amok! Amok!’

‘Allah-il-lah-Allah!’, steunde Kassan, zich oprichtend. Hij keerde zich naar de koelie: ‘Je hebt meneer gedood!’ ‘Ik heb hem gedood,’ antwoordde Toekimin rustig. De vrouw op de drempel, keek nu op van haar bezigheid, zag het lichaam op de grond liggen. Ze bleef even kijken, toen zonder een spier op haar gezicht te vertrekken, zei ze: ‘Ts…eh! De toewan is dood!’

In ‘Rubber’, de bekende roman van Madelon Székely-Lulofs (1932), doodt de koelie Toekimin, in een opwelling, de opzichter van de rubberplantage. Hij was ‘mata gelap’, gek geworden, één moment slechts. Daarna was hij weer rustig en liet zich geleidelijk wegvoeren.

Székely-Lulofs beschrijft hier een klassiek voorbeeld van een situatie die zich duizenden keren moet hebben voorgedaan in Nederlands-Indië: het schijnbaar willekeurig doden van één of meerdere personen in een vlaag van verstandsverbijstering.

amok_groot

Het ‘amok maken’, zo schrijven Bartelsman en Eckhardt in de Java Post (2012), moet worden gezien als een tropisch-psychiatrisch syndroom. Het werd al in de 17e eeuw beschreven door Europeanen in zowel Brits- als in Nederlands-Indië die te maken hadden met Maleisische en Javaanse opstandelingen. In deze beschrijvingen werd amok maken niet beschouwd als een psychiatrisch toestandsbeeld, maar als een militaire strategie, waarbij de strijdvoerders onder het uitroepen van het woord ‘amok’ een niets ontziende verrassingsaanval uitvoerden tot hun eigen dood daarop volgde. Dit doet denken aan de Japanse kamikazeactie, waarbij de aanval doelbewust plaatsvindt en gericht is op bepaalde personen. Bovendien werd de amokmaker gezien als een heldhaftige persoon, die zijn inzet voor de goede zaak met de dood moest bekopen. In de loop van de 19e eeuw verschoven de betekenis en interpretatie van het woord ‘amok’ naar een plotselinge onvoorbedachte daad voortkomend uit een achterliggend psychisch lijden.   Lees verder

Geplaatst in 1. Het vooroorlogse Nederlands-Indië | Tags: , , , | 58 reacties

Mijn Javaanse grootmoeders (II)

Louis Doppert (1929) heeft zijn grootvaders niet gekend. Zij overleden lang voor zijn geboorte. Zijn veel jongere grootmoeders, Oma Mah en Oma Naomi, leefden echter tot na de Tweede Wereldoorlog. Zij vertelden hem van een ver verleden, van een wereld van sultans en paleizen, en van mystiek.

Door Louis Doppert

Grootmoeder Naomi (1866 – 1950)

Hoffotograaf Kassian Cephas, 1905.

Hoffotograaf Kassian Cephas, 1905.

Mijn oma van moederskant, Naomi, was dochter en tevens oudste kind van Kassian Cephas, de hof-fotograaf van Sultan Hamengkoe Boewono VII. De Sultan benoemde haar vader tot wedono-rodonas (hoofd-ordonnans).
Eens per jaar bracht de Sultan met groot gevolg een bezoek aan de gouverneur van Djokja. De Sultan reed dan in zijn statierijtuig Kareta Kjai Garoedo Djaksa Kentjono, de Gouden Zonnevogel Karos. Direct achter de koets reed te paard de wedono-rodonas, in een zwart uniform voorzien van een rode bandelier. Aan zijn rechterzijde reed kroonprins Hamengkoenegoro IV.

Het was duidelijk dat Cephas behoorde tot de vertrouwelingen van de Sultan. Kassian Cephas was de zoon van een Nederlander en Javaanse vrouw. Hij werd echter door zijn vader niet erkend, waardoor hij niet de status van Nederlander kreeg. Hij bleef dus een Inlander, een Javaan.
Zijn dochter Naomi Cephas trouwde met Christiaan Beem. Zij kregen een dochter Mathilde Frederika; zij werd mijn moeder.   Lees verder

Geplaatst in 1. Het vooroorlogse Nederlands-Indië | Tags: , , | 20 reacties

Mijn Javaanse grootmoeders (I)

Louis Doppert (1929) heeft zijn grootvaders niet gekend. Zij overleden lang voor zijn geboorte. Zijn veel jongere grootmoeders, Oma Mah en Oma Naomi, leefden echter tot na de Tweede Wereldoorlog. Zij vertelden hem van een ver verleden, van een wereld van sultans en paleizen, en van mystiek.

Door Louis Doppert

Grootmoeder Mah (1867-ca. 1948)

Zij groeide op in de Kraton Hadiningrat Surakarta, het ommuurde deel van de stad waar binnen zich het paleis van de Sunan bevindt. Mirah was geen prinses, maar met haar titel Radèn en haar grondbezit kunnen wij Radèn Mirahingsih  bestempelen als een Javaanse barones. Zij was ongeveer zestien jaar toen zij een relatie kreeg  met een veertig jaar oudere weduwnaar met kinderen, die  ouder waren dan zij. Hij heette Johan Wilhelm Doppert en was een zeer welgestelde landhuurder.[i] Johan Wilhelm werd geboren in 1827 en overleed in 1918.

Johan Wilhelm Doppert (midden achter) met zijn kinderen. Vermoedelijk gemaakt in 1917, ter gelegenheid van zijn 90-ste verjaardag. Helaas staat zijn vrouw Mirah/Mah niet op de foto. Van haar bestaat voor zover bekend geen afbeelding.

Johan Wilhelm Doppert (midden achter) met zijn kinderen. Vermoedelijk gemaakt in 1917, ter gelegenheid van zijn 90-ste verjaardag. Helaas staat zijn vrouw Mirah/Mah niet op de foto. Van haar bestaat voor zover bekend geen afbeelding.

Van  Mirah staan deze gegevens niet geregistreerd. Als ik uit mondelinge familie overlevering een schatting maak, dan is zij ca. 1867 geboren en gestorven in 1948.   Lees verder

Geplaatst in 1. Het vooroorlogse Nederlands-Indië | Tags: , , | 24 reacties

Collectieve regeling voor nabestaanden

Door Tineke Bennema en Jeffry Pondaag

Het waren ditmaal de kinderen van Indonesische slachtoffers, door Nederlands geweld omgebracht in 1947, die deze week verschenen voor de rechtbank in hun proces tegen de Nederlandse Staat. Kinderen toen, getuigen van de standrechtelijke executies van hun vaders door de KNIL in Zuid-Sulawesi tijdens de zogeheten Politionele Acties. Bejaarden nu: ze zijn rond de tachtig jaar. Eerder spanden de weduwen uit Zuid-Sulawesi een dergelijke rechtszaak aan, en nog eerder de weduwen uit Rawagede. Zij zijn nog ouder, de uitbetalingen voor de groep uit Zuid-Sulawesi laten op zich wachten, twee van hen zijn inmiddels overleden. De tijd dringt. Wij stellen een collectieve regeling voor van een schadevergoeding voor alle nabestaanden getroffen door Nederlandse oorlogsmisdaden begaan in Indonesie.

Nederlands militair transport van Indonesiërs

Nederlands militair transport van Indonesiërs

De Stichting Comite Nederlandse Ereschulden, bijgestaan door advocate Liesbeth Zegveld, haalde vrijdag de drie kinderen naar Nederland om te getuigen in hun proces dat op 28 augustus begon. De aanklacht is standrechtelijke executies in de twee dorpen Suppa en Bulakumba waarbij 460 mensen om het leven kwamen. De huizen werden in brand gestoken. De zaak van de weduwen is in 2013 gegrond verklaard en Nederland heeft excuses aangeboden. Premier Rutte stelde zelfs bij het proces van de weduwen in september 2013 dat ernstige gevallen die vergelijkbaar zijn in Zuid Sulawesi met Rawagede ook in aanmerking zullen komen voor schadevergoeding.   Lees verder

Geplaatst in 3. Bersiap en Merdeka, 1945-1949 | Tags: , , , | 31 reacties

Kembang Kuning – Gele Bloem

Kembang Kuning (Gele Bloem), is de naam van de begraafplaats in Surabaya waar Nederlandse militairen hun laatste rustplaats hebben gevonden. Tevens is het de naam van het laatste project van fotografe Marjolein van Pagee (1987, Goes). Veteranen blikken in de camera, en vertellen ons hun verhaal….

Door Marjolein van Pagee  

Jan van Pagee (1926-2005)

Jan van Pagee (1926-2005)

Mijn opa, Jan van Pagee (1926), werd als dienstplichtig marinier in 1947 uitgezonden naar Nederlands-Indië. Van 1947 – 1949 was hij gelegerd in Surabaya op Oost-Java. Net als zoveel van deze mannen zweeg hij over wat hij daar had meegemaakt. In 2005 is hij overleden. Toen ik een prachtig portret terugvond van hem op twintigjarige leeftijd, ben ik op zoek gegaan naar het verhaal achter deze foto.

Mijn opa was een eenvoudige Zeeuwse jongen, opgegroeid in een streng gereformeerd gezin. De kennismaking met het verre land en de oorlog die daar woedde zal ongetwijfeld een grote indruk op hem hebben gemaakt.

In de afgelopen vier jaar heb ik tientallen Nederlandse veteranen geïnterviewd en geportretteerd. Ik sprak met oude dorps-, klas- en bataljonsgenoten. De belevenissen van mijn opa vormen de rode draad waarmee ik een beeld wil schetsen van een van de laatste koloniale oorlogen die ons land voerde in ‘de verre Oost’.  Lees verder

Geplaatst in 3. Bersiap en Merdeka, 1945-1949 | Tags: , , , | 136 reacties