De oorlog nadert

Door Louis Doppert

Een groot oppervlak van Djokjakarta bestond uit wijken, waarvan de huizen waren opgetrokken uit gemetselde stenen en gevlochten bamboe. Deze zogeheten stadskampongs werden doorsneden door geasfalteerde wegen. Hierlangs stonden oude villa’s, waardoor de kampongs voor een groot deel aan het zicht werden onttrokken. In de rij bijgebouwen aan de achterzijde van ons huis bevond zich de waterput. Deze was niet overdekt.

Met behulp van een ladder tegen de muur kon ik als in vogelvlucht de kampong overzien. De huisjes waren gebouwd rondom een pleintje, waar allerlei evenementen plaatsvonden. Ik zag er hanengevechten, slamatans (rituele maaltijden), een trouwpartij opgeluisterd door een wajangvoorstelling (schimmenspel) met gamelanmuziek. Het orkest speelde gewoonlijk zonder ophouden tot drie uur in de nacht. Het geluid klom over de muur en gleed door de jalouzieën mijn slaapkamer binnen. De muziek was rustgevend als het helder klateren van een waterval. De klanken van de gamelanmuziek hebben zich sindsdien voor altijd in mijn geheugen verankerd.

Het echtpaar Doppert en zonen Bert en René, 1942.

Het echtpaar Doppert en zonen Bert en René, 1942.

Mam had zich gemeld bij de COVIM (Commissie voor Organisatie van Vrouwenarbeid In Mobilisatietijd) en kreeg een opleiding als hulpverpleegster. Na jarenlang de builen, schrammen en wonden van haar vijf kinderen verzorgd te hebben was zij een echte ervaringsdeskundige geworden. Het was geen wonder, dat zij zonder moeite met vlag en wimpel slaagde voor haar verpleegstersexamen. Zij droeg vol trots het witte uniform met COVIM-speld.
Pap werd lid van de Stadswacht. Het waren meest mannen van boven de veertig, die hiervan deel uitmaakten. Zij kregen een militair uniform en droegen als wapens een pistool of geweer. Hun taak was het assisteren van de politie bij het handhaven van de orde.    Lees verder

Geplaatst in 1. Het vooroorlogse Nederlands-Indië | Tags: , , , , | 18 reacties

Een finale afrekening, of toch niet?

‘Opgevangen in andijvielucht’ geeft ruimte aan herinneringen

Griselda Molemans beschrijft in haar nieuwste boek ‘Opgevangen in andijvielucht’ op een prettig leesbare wijze de opvang van de Indische Nederlanders in de jaren ´40, ´50 en ’60, en komt tot de conclusie dat deze groep veel onrecht is aangedaan. Het zou een open deur zijn, ware het niet, dat veel details worden vermeld die eerder niet of nauwelijks bekend waren, en waarvan het goed is dat zij nog een keer aan een groot publiek worden geopenbaard. Zo was bijvoorbeeld veel te weinig bekend over het feit dat de opvang door de betrokkenen zelf moest worden betaald, en dat zij daar nog jaren lang door de overheid mee werden achtervolgd. Evenmin wisten we iets over de gedwongen winkelnering. En bijzonder ook zijn de details over de verschillende groepen die in de loop der jaren uit ‘Indië’ naar Nederland zijn gekomen. Dankzij Griselda Molemans hebben de ‘repatrianten’ van weleer afgedaan, en spreken we nog slechts van ontheemden. Waarvoor hulde.

Hotel Pension Het Witte Huis in Laren

Hotel Pension Het Witte Huis in Laren

Aardappelen

Maar, ‘Opgevangen in andijvielucht’ heeft ook serieuze tekortkomingen.
Om te beginnen, het boek is nogal onevenwichtig. De eerste 375 pagina´s vertellen het verhaal van de opvang in kampen en contractpensions in chronologische volgorde, in een slothoofdstuk wordt in sneltreinvaart nog even een aantal veronderstelde financiële claims toegelicht. Het eerste gedeelte had mogen worden ingekort, het tweede uitgebreid.
Dit laatste te meer vanwege het bronnengebruik. Het verhaal over de opvang is vrijwel uitsluitend gebaseerd op door de schrijfster afgenomen interviews met de opgevangenen. Ze citeert hen allen, en zo krijgen we van bijna alle kampen en pensions te lezen dat het er én koud was, dat er alleen maar doorgekookte aardappelen en één keer per week een gehaktbal werd gegeten, en dat er véél te weinig douches waren. Tot vermoeiens toe. Alsof het tussen 1945 en 1969 in Nederland nooit zomer is geweest. Het wordt zelfs zó vaak herhaald, dat je denkt: dat kán niet, die aardappelen moeten een keer lekker zijn geweest, en ze moeten er een keer hebben gelachen.   Lees verder

Geplaatst in 8. Recensies | Tags: , , , | 93 reacties

Zes weken op patrouille in Nederlands Nieuw-Guinea

In 1949 werd Indonesië onafhankelijk, Nieuw-Guinea bleef echter Nederlands.
Marinier Thomas Ernste (1922 – 2008) deed verslag van een patrouille, in 1951, vanuit Hollandia, en vertelt ons van de manier waarop het Nederlandse gezag in dit immense gebied werd gehandhaafd.

Door Thomas Ernste

Thomas Ernste, a/b van de Tabinta, onderweg naar Nieuw-Guinea (1950)

Thomas Ernste, a/b van de Tabinta, onderweg naar Nieuw-Guinea (1950)

Op 17 mei 1951 lag in de haven van Hollandia, aan de grote steiger, de Hr.Ms. Banckert afgemeerd. Toen om ongeveer 07.00 uur een gewapend detachement mariniers bepakt en gezakt op de steiger verscheen, werd het duidelijk dat er iets stond te gebeuren. Langzamerhand kwam er ook van andere zijde wat meer belangstelling en werd de houten steiger gevuld met politie, Papoea’s en andere belangstellenden. Even vóór negenen kwamen de stafofficieren van de Marine en trad een erewacht aan van de juist geëmbarkeerde mariniers.

Om 09.00 uur precies arriveerde de Gouverneur. Commando’s klonken, en na een korte inspectie van de aangetreden mariniers ging de Gouverneur aan boord. Hij zou meevaren tot Biak. Even over negenen, – ‘Los voor en achter!’ -, vertrok de Banckert voor een reis van zes weken. De mariniers zouden een zware reis voor de boeg hebben.

Het was een warme dag. Gelukkig, zodra wij de Hollandia Baai achter ons lieten en richting Biak voeren, kwam een weldadige zeekoelte ons tegemoet. Aanvankelijk bleven we vrij dicht bij de rotsachtige en dichtbegroeide kust en passeerden talloze kleine en grotere eilandjes die langs de noordkust van Nieuw-Guinea liggen. Ongeveer ter hoogte van Wakde wijzigden we koers en vervolgden onze weg via een noordelijker route.

Hr. Ms. Banckert (1950)

Hr. Ms. Banckert (1950)

De volgende dag waren we Biak dicht genoeg benaderd om meer te kunnen onderscheiden dan alleen de vage contouren. De hoge krijtachtige rotsen, oostelijk van de haven Sorido, aan de bovenzijde slechts begroeid met geheel of gedeeltelijk kapot geschoten bomen, roepen herinneringen op aan enkele jaren geleden, toen de Amerikanen hier de aanval begonnen en de Jappen verrasten tijdens hun maaltijd.
Het haventje van Sorido is klein en telt slechte één aanlegsteiger. Hier deden de mariniers de Gouverneur van Nieuw-Guinea uitgeleide. Een deel van het detachement werd nu gedebarkeerd, om in de richting van Bosnek, de belangrijkste plaats op het eiland, een tentenkamp te betrekken.   Lees verder

Geplaatst in 5. Indonesia | Tags: , , , , , , , | 4 reacties

De geheimzinnige Stephen Eilanden

In de wetenschap komt het regelmatig voor dat bepaalde visies later weer worden bijgesteld. Meestal gaat het echter ‘slechts’ om visies, en niet om objectieve feiten. Dat echter ook aperte onjuistheden hun eigen leven kunnen gaan leiden, blijkt uit de ‘ontdekking’ van de Stephen(s) Eilanden, een kleine eilandengroep ten noorden van Nieuw-Guinea.

Philip Carteret

Philip Carteret (1733-1796)

In 1933 schreef C.C.F.M. Le Roux, conservator van het Bataviaasch Museum, in het Tijdschrift van Indische Taal, Land- en Volkenkunde[1]:

‘Onlangs mocht ik uit handen van dr. J. Zwierzycki, één der bewerkers van de fraaie Geologische Overzichtskaart van den Nederlandsch-Indischen Archipel, een overdruk ontvangen uit het Jaarboek van het Mijnwezen in Nederlands-Indië (1927).
Tot mijn grote verwondering ontwaarde ik op het kaartblad (Schaal 1: 1.000 000) van Noord-Nieuw-Guinea, nagenoeg recht ten noorden van de Mamberamo-monding en op 175 km. in zee gelegen, twee tot dusver onbekende eilandjes ingetekend onder de naam Stephen Eilanden. Het grootste eiland heeft volgens de kaart een lengte van 4 kilometer, het kleinste, iets ten oosten daarvan, meet slechts een halve kilometer. Dicht om de groep zijn dieptelijnen aangebracht, welke de indruk wekken, dat deze eilandengroep hydrografisch behoorlijk in kaart is gebracht.   Lees verder

Geplaatst in 1. Het vooroorlogse Nederlands-Indië | Tags: , , , | 10 reacties

De kast van Vergroesen

Door Bert Immerzeel

Mijn eerste echte kennismaking met Indië dateert van zo´n dertig jaar geleden. Na een tijdje voor de klas te hebben gestaan, kreeg ik een baan als onderzoeker bij het Bureau Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet, in Diemen. Na lang soebatten hadden de vertegenwoordigers uit het Indische verzet het eindelijk voor elkaar gekregen dat er ook voor hen een buitengewone pensioenwet kwam. Toen de eerste aanvragen werden ingediend bleek echter dat er geen enkele ambtenaar was te vinden die de aanvragen op hun merites kon beoordelen. Eenvoudigweg omdat men te weinig wíst van dat verzet.
De enkele hiervoor aangewezen Abp-ambtenaren werden nu aangevuld met een 10-tal jonge academici, vooral historici, die de opdracht kregen om zo snel mogelijk de beperkte kennis aan te vullen.

Bureau Wiv, Diemen, eind jaren ´80.

Bureau Wiv, Diemen, eind jaren ´80.

Het was een merkwaardige betrekking. Terwijl de rest van Nederland bezig was met actuele zaken als een beurskrach en de val van de Muur, liepen wij in gedachten, achtervolgd door Japanners, door de jungle van Borneo of Nieuw-Guinea. In de praktijk kwam het er op neer dat we vooral veel verschillende archieven afliepen en daar zo ongeveer alles kopieerden wat los en vast zat.  Op ieder bureau grote stapels papier. En wij maar lezen en proberen onze weg te vinden in deze materie. Gelukkig kregen we er al snel enige grip op.   Lees verder

Geplaatst in 6. Onderzoek, Aanspraken en Verwerking | Tags: , , , , | 4 reacties

Armoede op Java

Java werd tijdens de laatste bezettingsjaren geteisterd door een verschrikkelijke armoede en hongersnood. Naar schatting verloren tussen 2,5 en 4 miljoen burgers het leven. Louis Doppert, ten tijde van het gebeurde een 15-jarige Indo-jongen in Djokjakarta, doet verslag van zijn herinneringen.

Door Louis Doppert

Een ‘eigen weg’ verbindt de straat Ngoepassan met het hofje, dat uit drie huizen bestaat. In twee ervan woont de familie. Wij zijn verhuisd naar dit verscholen hoekje van de stad. De familie heeft zich in de loop van de oorlogsjaren uitgebreid en bestaat nu uit mijn grootmoeder, vier tantes , twee nichten, Mams, mijn zuster en ik. Het hofje en enkele aangrenzende huizen zijn eigendom van Oma en oom Frans.

Armoede op Java

Armoede op Java. Foto: Charles Breijer, februari 1947.

Inmiddels vier ik al drie jaar lang vakantie; kinderen van Nederlandse afkomst mogen van de Japanse autoriteiten geen onderwijs genieten. Een jeugdvriendin van Tante Wies geeft me clandestien wiskundelessen. Zo fiets ik twee keer per week naar haar toe met het huiswerk verstopt tussen hemd en zwetend lijf en de berichten van Radio Sydney verborgen in mijn geheugen.    Lees verder

Geplaatst in 2. Japanse Bezetting, 1942-1945 | Tags: , , , , | 144 reacties

Het maalfeest

Door Leonie van Daalen-Röell

In ons nog jonge leven was dé grote jaarlijkse gebeurtenis het maalfeest, het oogstfeest van de suikerfabriek. ´s Ochtends vroeg konden we het geluid van de gamelan al horen. Mijn vriendin en ik verzekerden ons dat we op tijd zouden zijn om de Barongan en andere figuren te zien die om de trein heen dansten die de eerste suikerriet naar de fabriek zou brengen. Vooral die Barongan intrigeerde ons. Het was een oud mythisch beest gespeeld door twee mannelijke dansers, van wie de voorste zijn grote enge kop droeg en de achterste zijn lichaam. Op Bali hebben ze ook z´n tegenpool, Ranga, een heks en tegelijkertijd koningin van de onderwereld. Samen met Barong beeldt zij de strijd uit tussen goed en kwaad. Ik kan me niet herinneren dat ook zíj deel uitmaakte van de figuren die bij ons werden uitgebeeld.

Slametan maalfeest Tjepiring

Slametan maalfeest suikerfabriek Tjepiring

De Barongan vindt zijn oorsprong waarschijnlijk in de periode dat Java nog hindoeïstisch was. Het was een wezen dat vriendelijk maar ook angstaanjagend kon zijn. Wij, kinderen, vonden het prachtig om hem te zien dansen terwijl hij zijn manen liet wapperen en zijn grote muil steeds open en dicht deed.
Behalve de Barongan waren er reuzen op bamboe stokken en mannen die op koeda keppangs dansten, paarden gemaakt van beschilderde bamboematten. Het geluid van hun belletjes maakte het geheel feestelijk en paste wonderwel bij de sierlijke bewegingen van de reuzen.   Lees verder

Geplaatst in 1. Het vooroorlogse Nederlands-Indië | Tags: , , , , , , | 14 reacties