Krijgsgevangene Adriaan Westermann (1904 – 1971) verbleef 14 maanden in kamp Fukuoka 17, Omuta, Japan. Het door hem bijgehouden dagboek geeft inzicht in de werkzaamheden in de mijn, en leert ons het Japanse jargon van de kolenwinning.
Door Adriaan Westermann
Het is eind augustus 1945 en we leven weer in vrede. Tussen juni 1944, de maand van onze aankomst in Japan, en nu liggen veertien maanden van slavernij, maanden die in het teken stonden van de ‘long wall’.
We zaten in de grote zaal boven de mijn in Omuta en kregen instructie. De zaal had een podium. Aan één van de zijmuren hing een klein kastje, gemodelleerd als een mooi versierd huisje, met daarin het rode schijnsel van enkele electrische peertjes. In het huisje woonde de Mijngod, voor wie we de pet moesten afnemen en buigen. Het kan ook zijn, dat de Mijngod voorbij de exercitieplaats van de mijn in een manshoog stenen huisje woonde en dat dit kleine houten huisje in ons leslokaal een kopie was. Hoe het ook zij, de Japanners hadden een bijzondere eerbied voor deze god. Hij beschermt hen, of vernietigt hen onder vallende stenen en kolenlagen. Door zíjn toedoen gaan ze ofwel na het werk ongeschonden naar huis, ofwel zij worden verminkt of dood naar boven gedragen. Hetzelfde geldt voor de krijgsgevangenen. Ook wíj namen voor en na het mijnwerk voor de Mijngod de pet af, en bogen op het uitgeschreeeuwde commando “Tadsjeboo!” Lees verder







