Een kwestie van onbegrip (II)

Malangse Indo-Europeanen op weg naar  ‘Groot-Azië’ 

De oorlogsgeschiedenis van de Indo-Europese bevolking in Malang is vergelijkbaar met die in andere steden op Java. Een toenemende verpaupering in combinatie met een steeds grotere Japanse druk te worden ‘gelijkgeschakeld’. Evenals in steden als Batavia of Bandoeng konden de jongeren ook hier hun goede wil tonen door zich af te laten voeren naar werkkampen. Dat dit geen garantie was voor overleven, toont ons het tweede deel van een tweeluik over het laatste oorlogsjaar in Malang.

Tewerkstelling van Indo-jongeren op de onderneming Soembergesing in Dampit gebeurde in vier fasen. Afhankelijk van de lichting waarin de jongens zaten, werd gesproken van Dampit I, II, III of IV: ‘Dai Iet’, ‘Dai Ni’, ‘Dai Sen’ en ‘Dai Jong’.

Malang: Aloen-Aloen (ca. 1930)

Malang: Aloen-Aloen (ca. 1930)

De eerste, Dai Iet (15 september – 11 oktober 1944), was naar de herinneringen van de jongens nog de lichtste. ‘We hadden het goed’, zou één van hen zich later zelfs herinneren.[i] De werkzaamheden, onder leiding van de Indo-Europeaan Steneboome en de Japanner Ogata, bestonden evenals bij de volgende projecten voornamelijk uit het kappen van hout. Voor het eten werd gezorgd door drie Indische dames. Na een week of drie, vier, werden de jongens naar huis gestuurd.  

Op dat moment, 11 oktober 1944, was inmiddels al weer een nieuwe lichting op Soembergesing gearriveerd. Het aantal tewerkgestelden van deze en volgende lichtingen is niet bekend omdat deze elkaar overlapten en de jongens in hun latere verklaringen meestal refereerden aan het totaal. Uiteindelijk werden waarschijnlijk in totaal zo´n 250 à 300 jongens op Soembergesing aan het werk gezet. Van de groep die een oproep kreeg voor de tweede lichting zou een klein gedeelte naar huis worden gezonden rond half november, de rest zou nog een maand langer moeten blijven.

Dankbaar jegens Dai Nippon

De jongens van de tweede en latere lichtingen kregen een schriftelijke oproep van Mizuno, het Japanse hoofd van het gemeentebestuur Malang Syuu-Tyoo, waarin uitleg werd gegeven aan het waaróm van het project:

‘De almachtige Regering van Dai Nippon heeft op 7 september 2604 (1944 – JP) besloten en de belofte uitgesproken dat aan Indonesië in de toekomst onafhankelijkheid zal worden gegegeven. Alle ingezetenen van Indonesië, Indonesiërs, Indo-Europeanen, Indo-Chinezen, Chinezen, Arabieren enz. Zijn blij en dankbaar jegens de regering van Dai Nippon. Alle nationaliteiten in Indonesië beloven aan de regering van Dai Nippon nog meer te zullen samenwerken en zo veel mogelijk hulp te bieden aan de bewaking van het vaderland, de opbrengst van de landbouwprodukten te doen verveelvuldigen door te gaan arbeiden als vrijwilligers. De Indo´s die één zijn met het Indonesische volk zullen ook niet achterblijven in het leveren van en bijdrage aan zowel arbeidskrachten als aan materiële offers teneinde een Nieuw-Java te scheppen dat zo volmaakt is als maar zijn kan.
Tegen personen van één of andere nationaliteit in deze Indonesische maatschappij die ongeroerd blijven of vijandig zijn, zullen zeer harde maatregelen worden genomen. Denk eraan dat de Gewapende Troepen van het Leger van Dai Nippon immer mensen zullen beschermen die niet zondigen en die goed willen leven door samen te werken. Derhalve zal de Malang Syuu-Tyoo voortdurend leiding geven aan personen van alle nationaliteiten, tevens een opleiding geven in zware oefeningen opdat zij van nut zullen zijn voor de maatschappij. De Nederlands-Indische gemeenschap zal niet worden vergeten. Onlangs werden Nederlands-Indische jonge mannen met zware oefeningen op de proef gesteld en zij lieten zich van hun goede kant zien en behaalden bevredigende resultaten. Derhalve zal de Malang Syuu-Tyoo vanaf dit ogenblik het geven van grote oefeningen aan alle Malangse Nederlands-Indische jongemannen bij toerbeurt voortzetten. De bedoeling is dat de Nederlands-Indische jongemannen en de Indische gemeenschap allen met geestdrift zullen leven, sterk en gezond van lichaam, niet verlegen en in staat om zo hard mogelijk samen te werken met andere nationaliteiten in de nieuwe maatschappij volgens de stroming van de nieuwe tijd, zodat zij niet achter zullen blijven.’

Het schrijven maakte dus duidelijk dat alle Indo-jongeren aan de beurt zouden komen. Dit lijkt in tegenspraak met veronderstellingen van een deel van de jongeren dat de selectie gebaseerd zou zijn geweest op de beantwoording van eerder gestelde vragen door het plaatselijke Oeroesan Kaoem Indo.
Het stuk vervolgde met meer praktische gegevens:

‘Voorzien van genoemde inlichtingen worden de Nederlands-Indische jongemannen opgeroepen om bij de Malang Syuu-Tyoo te verschijnen voor grote oefeningen, dd 19 oktober 2604, om 10 uur ´s ochtends.
Lichamelijk niet ziek.
Plaats van oefeningen: Dampit.
Duur van de oefeningen: één maand.
Artikelen die moeten worden meegenomen: kleren voor de oefeningen (niet te veel); schoenen voor de oefeningen; schrijfgerei; ander gerei voor dagelijks gebruik (bord, glas, lepel, vork enz.); kussen, deken, mat (matras niet toegestaan).
Verzamelplaats: vóór de Malang Syuu-Tyoo.
Eten en dergelijke in het kamp: vrij.´

En eindigde met een stevige waarschuwing:

‘Deze oefening is zeer belangrijk voor de Nederlands-Indische gemeenschap. Nu heeft men de enige mogelijkheid om het lot van de gemeenschap voor de toekomst te bepalen. Tegen degene die deze oproep ontvangen heeft, doch geen gehoor hieraan geeft of geen geldige verklaring kan overleggen, zullen uiterste maatregelen worden getroffen en zijn naam zal worden geschrapt van de lijst van de Indonesische maatschappij.
w.g., namens de Malang Syuu-Tyoo, Naisebu, Kikakukatyoo: heer Mizuno’

De samenstelling van de groepen was in handen van hetzelfde gemeentebestuur. De Oeroesan Kaoem Indo werd ingeschakeld voor de uitdeling van de oproepen. De latere Perlindoengan Kaoem Indo had hiermee geen bemoeienis.

We weten niets van jongens die de waarschuwing hebben genegeerd. Waarschijnlijk zijn allen die werden opgeroepen, voor zover niet ziek zijnde, naar Soembergesing gegaan. De omstandigheden op de onderneming verslechterden. Er was een gebrek aan voedsel en water, en de jongens werden bij lichte overtredingen zwaar bestraft. Naast het hout hakken werd ook tijd ingeruimd voor excerceren. In plaats van de aangekondigde maand, duurde het verblijf in het kamp voor de meesten een paar weken langer. Op 21 december 1944 mochten de laatsten naar huis.

Een affaire

De oproepen voor de tweede, derde en vierde lichting waren afkomstig van de Malang Syuu-Tyoo. De eerste groep was echter samengesteld geweest op grond van de keuze van de jongens zélf. De Japanner Yamashita van de Seinendan had een tiental jongens gevraagd met andere jongens te verschijnen. De op deze manier geronselde dertig jongens werd geboden weer anderen er bij te betrekken. Binnen enkele dagen ontstond zo via het netwerk van de jongeren een groep van 150 ‘vrijwilligers’  die hierop naar Dampit werd gezonden. Dit netwerken nu werd de groep fataal.

Dampit, ZO van Malang, en onderneming Soembergesing

Dampit, ZO van Malang, en onderneming Soembergesing

Drie weken later, meteen na hun terugkeer, werd een aantal van deze jongens benaderd door Ziesel, het hoofd van het Oeroesan Kaoem Indo. Een zestal huizen aan de Moeriaweg moest worden schoongemaakt in verband met de vestiging van naai-ateliers voor Indische dames. De jongens kregen verder de opdracht zorg te dragen voor nachtelijke bewaking.
De verklaringen over het gebeurde zijn niet geheel eensluidend, maar het meest waarschijnlijk is dat één van de jongens, Boy Kitsman, bij zijn nachtelijke taken per ongeluk brand heeft veroorzaakt door een petroleumlampje om te gooien. Omdat op dat moment net toevallig sprake was van luchtalarm, dachten de Japanners dat de jongens naar Geallieerde vliegtuigen wilden seinen. De vier die op dat moment wacht hadden werden meteen gearresteerd en langdurig verhoord.[ii]
De eerste uitlatingen van de jongens gaven de Japanners voldoende aanleiding om hun vrienden te arresteren, en vervolgens weer de vrienden van deze vrienden. Uiteindelijk werden zo´n 80 jongens gevangen gezet, en, toevallig of niet, bijna allen kwamen uit de eerste Dampit-lichting. De politie (PID), belast met het onderzoek, kon met de verhoren beginnen.

De meeste jongens hebben uiteindelijk, na vele mishandelingen, verteld wat van hen werd gevraagd. De Japanners veronderstelden een wijdverbreide organisatie om de komst van de Geallieerden voor te bereiden, relaties met ondergedoken KNIL-militairen en allerlei andere verzetsinitiatieven in Malang en omstreken. Meer concreet werd de groep beschuldigd van: het seinen naar Geallieerde vliegtuigen; het doorsnijden van telegraaf- en telefoonkabels; het opblazen van bruggen; en het voornemen om bij een eventuele landing van de Geallieerden deze te helpen als gids of tolk. Gedurende het onderzoek op het politiebureau en in Lowokwaroegevangenis kwamen steeds meer nieuwe relaties aan het licht. Zo werd bijvoorbeeld een zekere mevrouw Sien Muller gearresteerd omdat zij een van de veronderstelde leiders van de groep, Bennie van Dam, op zijn verjaardag f 5,- had gegeven. De PID kwalificeerde dit als ‘het verlenen van financiële steun aan een ondergrondse beweging’.[iii] Zij zou later tot 15 jaar gevangenisstraf worden veroordeeld. Een vriendinnetje van Bennie, Muis Banning, zou hem morsetekens hebben geleerd. Volgens de PID werd er regelmatig vergaderd op het voetbalterrein, waar de jongens net deden alsof ze een balletje trapten, maar tegelijkertijd hun snode plannen voorbereidden.
De groep bleef niet beperkt tot de eerste Dampit-groep. Op 16 december werden nog ca. 15 jongens gearresteerd die op dat moment werkzaam waren in het kader van Dampit-III en IV. Ook zij werden hardhandig verhoord.
Voor de duidelijkheid, het zij hier nog een keer expliciet vermeld, van daadwerkelijk verzet is – behalve in de ogen van de Japanners – nooit enige sprake geweest.

Een nieuw PKI-bestuur

De Perlindoengan Kaoem Indo, het andere Indo-Comité, waarvan het bestuur in augustus 1944 door de Japanners was afgezet omdat het onvoldoende medewerking had getoond, werd in november van dat jaar nieuw leven ingeblazen. Mizuno gelastte dat er nieuwe verkiezingen moesten komen, waaraan moest worden deelgenomen door alle kumitjo´s (blokleiders). De heer P.R.A.Bekker werd herkozen tot voorzitter, W.H.E. Nash bleef adviseur. Vroegere bestuursleden Paalman en Zuurhake bleven werkzaam op de administratie. Als nieuwe bestuursleden werden benoemd de heer Hoyer (vice-voorzitter) en mevrouw Borghardt. In de praktijk bleek dat deze laatste twee de belangrijkste rol zouden opeisen. Vooral Hoyer liet zich kennen door zijn meer pro-Japanse aanpak. Het nieuwe bestuur werd officieel benoemd op 28 december 1944.

De eerste werkzaamheden van het nieuwe bestuur richtten zich op het werven van fondsen, zoeken van banen en het bemiddelen bij allerlei administratieve kwesties. Verder moest – in opdracht van de Jap – een werkproject voor vrouwen en meisjes worden opgezet. Gedurende enkele weken moesten zij vlas kloppen, spinnen en sokken breien. De opbrengst van dit werk kwam ten goede aan de kas van het Comité.

Verharding

Gedurende de eerste maanden van 1945 verhardde het leefklimaat in Malang. De Japanners voorvoelden waarschijnlijk een naderende nederlaag. Bang voor eventuele Geallieerde landingen aan de zuidkust van Java, probeerden zij alle anti-Japanse gevoelens de kop in te drukken. Grootscheepse arrestatiegolven waren het gevolg. ‘Wie nu nog droomt van een overwinning van de Geallieerden mag dit doen, maar dan wel in de Lowokwaroegevangenis en niet in zijn huis’, aldus Mizuni tijdens een bijeenkomst van buurthoofden.[iv] De Japanners lijken nu met name aandacht te hebben gehad voor een mogelijk anti-Japanse houding bij Indo-Europese vrouwen.

In april ’45 gaf de Naisebu opdracht tot een nieuwe registratie van de Indo-Europese gemeenschap. De eerdere registratie, uitgevoerd door de Oeroesan Kaoem Indo in het voorjaar van 1944, bleek verouderd. Veel adressen klopten niet meer. Dit keer lag de uitvoering in handen van de Perlindoengan Kaoem Indo, waarbij Hoyer aanstuurde op zo veel mogelijk pro-Japanse registraties. Het ging namelijk niet alleen om de registratie van personalia, maar ook – net als de vorige keer – om de beantwoording door Indo-Europeanen van de vragen of zij erkenden te behoren tot het Aziatische ras, en of zij afstand hadden genomen van de Nederlandse regering.
Nash en Bekker kregen het echter gedaan dat de beantwoording van deze laatste vragen niet meer verplicht werd gesteld. Hoyer meende na afloop toch nog een pro-Japans stempel op het gebeuren te moeten drukken door een twintigtal dames bijeen te roepen en vermanend toe te spreken: ‘Gij zijt allen verraadsters. Ik heb een zwarte lijst opgemaakt van mensen die anti-Japanse gevoelens hebben, en daar staat uw naam ook op. Eigenlijk heeft de Kaoem Indo besloten uw etenskaarten in te houden, maar dit keer zullen wij nog genade voor recht laten gelden’.[v]

Alle door beide Indo-Comité´s geboden medewerking ten spijt, de Japanners geloofden niet meer in goede bedoelingen. Mogelijk werd de comité’s een bezoek van de Indo-voorman Van den Eeckhoudt uit Batavia fataal. De Kaoem Indo-delegatie uit de hoofdstad sprak er schande van dat op het kantoor van hun Malangse zusterafdeling nog Nederlands werd gesproken.
De eerste week van juli ’45 werd Ziesel, voorzitter van het Oeroesan Kaoem Indo, gearresteerd. Korte tijd later bezweek hij aan de hem toegebrachte verwondingen. Van het Perlindoengan Kaoem Indo verdwenen Bekker, Nash, Paalman en Zuurhake achter de tralies. Slechts Hoyer en Borghardt wisten de dans te ontspringen.

De afloop van de ‘Dampit-affaire’

Met de in oktober en december 1944 gearresteerde Dampit-jongens was inmiddels korte metten gemaakt. Door de slechte omstandigheden tijdens hun gevangenschap en de verhoren kwamen zes jongens te overlijden. Ongeveer vijftig anderen werden op 5 juni 1945 voorgeleid voor de Japanse krijgsraad.

Tijdens na-oorlogs onderzoek naar de gebeurtenissen werd de vraag gesteld waarom de zaak niet was voorgeleid aan een burgerlijke rechtbank. Harada, Kenpeitai-commandant van Malang, antwoordde: ‘Om redenen, mij onbekend, gaf de Legeropperbevelhebber opdracht dat deze zaak diende te worden berecht door de militaire Krijgsraad. Alle stukken moesten nu vertaald worden van het Maleis in het Japans’.[vi] De rechter van de desbetreffende krijgsraad, Onikura, verklaarde hierover dat de wederzijdse competenties van de militaire- en burgerlijk strafrechter niet duidelijk afgebakend waren in de laatste periode van de Japanse bezetting. In een geval als het onderhavige waren beide bevoegd recht te spreken en tenslotte “annexeerde” de Krijgsraad deze zaak. Harada liet nog weten dat de Kenpeitai in Malang een ander karakter had dan andere Kenpeitai-afdelingen. De voornaamste zorg was het treffen van voorbereidingen tegen verwachte Geallieerde landingen in het gebied ten zuiden van Malang. Iedere vorm van illegale activiteit werd tegen het licht gehouden van zware militaire gevolgen.

Het oordeel van de Krijgsraad was dan ook buitengewoon hard: 13 jongens werden ter dood veroordeeld, 26 kregen een levenslange gevangenisstraf opgelegd, drie kregen 15 jaar en acht anderen 7 jaar gevangenisstraf. Het vonnis werd meteen voltrokken. De lijken van de dertien jongens werden na de oorlog aangetroffen in een massagraf bij Poedjon. De overigen werden deels op transport gezet naar gevangenissen in Ambarawa en Ngawi.

De Temporaire Krijgsraad veroordeelde op 26 februari 1949 genoemde Harada tot tien jaar gevangenisstraf. De andere aangeklaagde Kenpeitai-officieren werden veroordeeld tot gevangenisstraffen van twee tot tien jaar.
In het vonnis werd vermeld dat de Kempei-buntai te Malang een min of meer actief aandeel had gehad in het onderzoek van de zogenaamde Dampit-affaire: voltooïng door de Kenpeitai, op last van het Hoofdkwartier, van een door de Civiele Politie reeds geheel onderzochte zaak tegen en groot aantal jongens en jonge mannen, welke zaak, na berechting door een speciaal hiertoe naar Malang overgekomen Krijgsraad (Gunritsukaigi), tot resultaat had dat een groot aantal jongens werd geëxecuteerd.
De Kenpeitai-leden kregen een relatief milde straf. Zij waren ‘slechts´ verantwoordelijk geweest voor de uiteindelijke berechting. Het vooronderzoek en alle daarmee gepaard gaande mishandelingen was uitgevoerd door Indonesiërs.

x

Bijlage: Vonnissen Japanse Krijgsraad
(de leeftijd is indicatief)

Doodvonnis:

Warren (alias Benny) van Dam (19)
Pim Vogelpoel (18)
Frans Ignatius Antonius Ligtenberg (18)
Maximiaan Eduard Bodaan (18)
Carli Emile de Roy van Zuydewijn (21)
Willy Rudi van Drongelen (19)
Freddy Wilhelm Kitzmann (20)
Johan Hedrich von Wiederhold (18)
Daniel A. Patty (16)
Teddy Monfils (17)
Pieter Jeekel (17)
Walter Dirk van Ham (18)
Hubertus (Bert) Oosthout (18)

Levenslange gevangenisstraf:
Gustaaf Emile Stenebome (17 oktober 1927, overleden in Ambarawa 3 augustus 1945)
Anton Eduard de Roy van Zuydewijn (18)
Reginald Lans (18)
Ferdinand Eisma (19)
H.F. Binkhuysen (17)
J.C.W. Brandligt (19)
Robert C. Schultz (16)
Albert Jacques Frederick Hoffman (17)
B. Hoorn (16)
Maximilian Benedictus Bouman (18)
H. van Tengnagel de Raad (18)
F. de Ruyter de Wild (16)
Jimmy Eugene Ludwig Pietersz (17)
Theo Carl Cordie (18)
Anton Albert Wendersteydt (18)
Freddy Engelken (15)
Christiaan van der Ven (17)
Does Verhagen (17)
B. Stok (17)
Hans de Bas (17)
R.W. Doornbos (18)
Paul Utrecht (17)
J. Madarasz (19)
Bobby Cobert (16)
George Hendrik Perie (18)
H.Y. Mondt (17)

15 jaar gevangenisstraf:

T.A. Möller-van Andel (44)
Richard de Bas (15)
Nono Humphrey Reygers (15)

7 jaar gevangenisstraf:

Harry Paul Arthur Niggebrugge (19)
Robert Cornelis von Gerhardt (18)
N. Bout (17)
Cornelis Vonkers (15)
Karel Schwab (14)
Gerrit Hendrik Kloosterboer (26)
Jan gerrit Quack (18)
Ong Oho Kho (17)

 

­­­_______________________________________

[i] Dossier P.R.A. Bekker; Def/CAD
[ii] P.R.A. Bekker; NA, Nefis/CMI, Nash, 1652
[iii] Gehoord van de moeder van Bennie, door mw. Clara Scheffmann-Legran; CAD/Def
[iv] Borghardt; NA, Nefis/CMI, Borghardt, 1617
[v] J.E.L. Scheffer; NA, Nefis/CMI, Borghardt, 1617
[vi] NA, Nefis/CMI, TKR 422-rood

Dit bericht werd geplaatst in 2. Japanse Bezetting, 1942-1945 en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

24 reacties op Een kwestie van onbegrip (II)

  1. H.A. Naberman. zegt:

    Men leze “De Dampit Affaire” van Julika Vermolen.

    • buitenzorg zegt:

      Op dat boek kom ik graag nog een keer terug. Het geeft geen andere inzichten weer dan ikzelf heb opgedaan in mijn eigen onderzoek. Het past echter wel in een artikel over ‘Dampit’ ná de oorlog.

  2. Jan A. Somers zegt:

    citaat: “De almachtige Regering van Dai Nippon heeft op 7 september 2604 (1944 – JP) besloten en de belofte uitgesproken dat aan Indonesië in de toekomst onafhankelijkheid zal worden gegegeven. Alle ingezetenen van Indonesië, Indonesiërs, Indo-Europeanen, Indo-Chinezen, Chinezen, Arabieren enz. Zijn blij en dankbaar jegens de regering van Dai Nippon.” Het is een beetje (veel) off topic, maar dit is een van de eerste bekendmakingen waaraan kon worden ontleend dat de Republiek een Japanse creatie was. Deze reeks heeft ertoe bijgedragen dat Soekarno persona non grata was, de rest weet iedereen al.

    • Surya Atmadja zegt:

      dat de Republiek een Japanse creatie was.
      ————————————————————————————————
      Nee toch .
      Voor zover ik weet zijn de Indonesiers al lang bezig met hun Indonesia gedachten .
      Sinds de oprichting van Boedi Oetomo .(1908).
      De Indonesiers vinden dat Japan alleen een katalysator was geweest, die de proces van Merdeka ( los van de uitbuiters) had versneld.
      Zie de PKI ( communisten) opstand in 1926.
      Sinds de komst van de Nederlanders( Compagnie van Verre,V.O.C ) hadden de oorspronkelijke bewoners uit verschillende streken, vorstendommen, sultanaten etc tegen de aanwezigheid van de Nederlanders gevochten.

      Ik weet niet of iedereen( in ieder geval de Nederlanders) dit al weten ?
      Zo niet, dan weten ze van af nu aan dat de verhalen van collaboratie( ?) van Bung Karno , en andere mytische verhalen naar de rijk der fabelen moet verwijzen.

      • Jan A. Somers zegt:

        Natuurlijk was vóór de oorlog het groeiende nationalisme algemeen bekend. Mijn opmerkingen betreffen de Japanse activiteiten rond de concrete stichting van de soevereine Republiek en de openbaar getoonde onderdanigheid van de Indonesische leiders. Uit alle bekendmakingen blijken de grote Japanse ‘weldaden’ t.a.v. de Indonesiërs. In het volkenrecht onrechtmatig, propaganda natuurlijk, maar toch officiële handelingen. Uit alle krantenberichten blijkt de Indonesische ‘dankbaarheid’ voor de Japanse weldaden. Dieper buigen (op de foto’s) was nauwelijks mogelijk. Propaganda natuurlijk, maar toch. Die collaboratie zijn geen mythische verhalen, maar concrete Japanse en Indonesische krantenverhalen en foto’s. Zie bijvoorbeeld het foto-archief bij het KITLV. Wanneer men in Nederland bezig is met de berechting van mensen als Mussert en Rost van Tonningen, dan is het niet vreemd dat men het bekende oordeel heeft over mensen als Soekarno. Jammer dat het zo heeft moeten lopen, het heeft veel slachtoffers gekost. Maar die mening valt Nederlanders niet te verwijten.
        Een beetje off topic: Iedereen weet dat in het verre verleden de Indische vorsten strijd hebben geleverd met o.a. de VOC. Maar zij hebben ook de VOC militaire hulp gevraagd in hun strijd tegen de Portugezen. Zij hebben ook de VOC militaire hulp gevraagd in hun bloedige ruzies met de buren. Ik heb bijvoorbeeld een kopie van een prachtig (Javaans) schilderij over de eigenhandige executie door Soenan Amangkoerat II van de opstandige prins Taroeno Djojo. Mogelijk gemaakt door de aan de VOC gevraagde hulp, die militairen staan ook afgebeeld. Zij hebben ook hulp gevraagd bij hun interne successie-oorlogen. Ik heb soms het idee dat Indonesië en Nederland niet voor elkaar onder deden.

  3. Jan A. Somers zegt:

    citaat: “De Kenpeitai-leden kregen een relatief milde straf. Zij waren ‘slechts´ verantwoordelijk geweest voor de uiteindelijke berechting. Het vooronderzoek en alle daarmee gepaard gaande mishandelingen was uitgevoerd door Indonesiërs.” Deze tekst past volledig bij mijn ervaringen bij de Kenpeitai in Soerabaja. De Japanners waren natuurlijk de baas, maar lieten het meeste vuile werk over aan de Indonesiërs van de PID. Die mepten harder dan de Japanners. Ik kreeg soms het idee dat de Japanners het na een paar weken wel voor gezien hielden met mij, maar de PID ging maar door. Misschien wilden ze kost wat kost scoren? Nu valt voor mij het kwartje: waarom ik voor veel ondervragingen steeds werd overgebracht van de Kenpeitai naar de Werfstraatgevangenis. Maar daar waren ook steeds Kenpeitaimilitairen aanwezig.

  4. R Geenen zegt:

    Ik vraag me af in welk licht ik het moet zien dat de vader van mijn vrouw Laval(l)ette binnen een week na 15 Augustus 1945 door Indonesiers in de rug werd doodgeschoten, terwijl zijn oudste zoon van 12 en toekomstige broer van mijn vrouw in de deur opening van het huis, dit met eigen ogen zag gebeuren, Robby Lavalette is nu 80 en woont in Florida. Mijn vrouw werd een paar weken later op 9 september 1945 geboren. Maanden later was mijn toen pas geboren vrouw en haar oma naar de pasar en bij thuiskomst vonden ze de rest van de familie, die als buren van de Lavalette er naast woonden, vermoord. Robby was gelukkig toen al er vandoor gegaan en ondergedoken bij de baboe.
    Ook ben ik benieuwd wat er met die Hoyer is gebeurd.

  5. Ed Vos zegt:

    @ Jan A. Somers:
    23 februari 2013 om 11:12 am

    Een beetje off topic mag Pak Jan.
    Sinds de tijden van Sriwijaja en Majapahit streed men voortdurend onderling om de totale overheersing.

    De Lombokkers hebben — voor de pacificatie van Bali — de Nederlanders zelfs om hulp gevraagd in hun strijd tegen de Balinezen, omdat deze vredelievende hindoe’s de Sasakse moslim-Lombokkers onderdrukten.
    Zoals hieronder (op deze pagina) geschreven staat:

    ” In Indonesië is er leed genoeg, maar het wordt zelden op publieke wijze uitgevent. Een land als Indonesië kan beter geen geheugen hebben: als men eenmaal aan het vereffenen van rekeningen slaat, is het einde niet in zicht; de laatste zestig jaren hebben teveel geweld en gespletenheid te zien gegeven. Het geschiedgeheugen is gesublimeerd in rituele formules rond proclamatie en vrijheidsstrijd, en verdicht zich rond epische verhalen over de vrijheidsstrijders. Dit schemergebied tussen mythe en geschiedenis is voor veel Indonesiërs een aangename plaats voor verwondering, stichting en vermaak, maar tot kritische reflectie op de eigen geschiedenis leidt het niet.”

  6. Ed Vos zegt:

    Zonder verder nadere uitleg, dit vind ik een goeie: “De Indo´s die één zijn met het Indonesische volk zullen ook niet achterblijven in het leveren van en bijdrage aan zowel arbeidskrachten als aan materiële offers teneinde een Nieuw-Java te scheppen dat zo volmaakt is als maar zijn kan.

    Wat dat een zijn met het indonesche volk betreft merk ik er weinig van, maar bij mij begint ook het kwartje te vallen: het zijn net Javanen de meeste indo’s die op internet schrijven, daar hebben ze hun mentaliteit dus van overgenomen. Maar ja, wanneer je uit Java bent ge-excommuniceerd is dat een bittere pil.

  7. j.w.hoegen. zegt:

    javanen zijn eigenlijk indiaers die in 603 een kolonie stichten op java.
    het zijn dus geen indonesiers.

    • HenkAnthonijsz (1926) zegt:

      J W Hoegen
      Waar haalt u deze kennis vandaan? Wij zijn nooit te oud om iets te leren.
      Wacht met spanning af. Bij voorbaat mijn dank.

  8. j.w.hoegen. zegt:

    professor E.R.scidmore ,
    universitet chigago .
    lees haar boek ,
    JAVA ,
    the garden of the east ,
    1897.

  9. Surya Atmadja zegt:

    zie homo soloensis en homo wajakensis

  10. Peter van den Broek zegt:

    Menneer Somers ,
    U kunt toch niet menen dat op basis van een of andere Japanse verklaring in 2604, op dat moment was bij de Japanners al bekend dat zij een verloren oorlog voerden de Republik een Japans mismaaksel was, het Indonesisch nationalisme heeft toch zijn wortels in Ned. Indie zoals dhr. Atmadja al opmerkt.

    Die blijheid en dankbaarheid jegens de regering van Dai Nippon heeft toch zijn grenzen aangezien meer dan 40.000 Indo-Europeanen in de concentratiekampen verhongerden en duizenden Romoesha’s bij de tewerkstelling de dood vonden. De zin alleen werkt op mijn lachspieren.

    De Japanse verklaring doet mij meer denken aan de verklaring van Koningin Wilhelmina van 1941 waar ook alles en niet werd beloofd aan het Indonesische volk. Die verklaring was toch meer om bij de Amerikanen zich in te likken.. Ik ga op basis van de Koninklijke verklaring toch ook niet zeggen dat de Republik een Nederlandse creatie is. Beide verklaringen hebben meer de stank van propaganda a la Goebbels om in die tijd te blijven dan dat ze iets feitelijk betekenen. Dat is iets anders dan officiele propaganda.

    En wat voor betekenis dat dieper buigen heeft kunnen we ook in de concentratiekampen zien, hoe dieper werd gebogen des te minder hard sloegen de japanners op de mensen in

    Collaboratie dient toch omzichtig gedefinieerd worden, om een steekhoudende verklaring te kunnen geven.
    het is niet, zoals vaak foutief verondersteld, alleenmaar samenwerking met de vijand maar heeft ook te maken met iets ten nadele van de eigen bevolking en t.o de eigen overheid. In dit geval collaboreerden de Nationalisten niet tegen hun eigen overheid maar tegen een vijandelijke Nederlandse overheid.Daarnaast speelt in het concept van collaboratie mee de loyaliteit van de burger tov zijn overheid (kijk hierbij vooral naar Frankrijk). Dit element speelt bij de Nationalisten hoegenaamd geen rol.

    Op basis daarvan kan de overeenkomst met de NSB, Mussert en Rost van Tongeren niet gemaakt worden. Dan wordt bij de NSB een ander cruciaal element gemakshalve over het hoofd gezien en dat is dat de NSB een extreem rechtse ideologie aanhangt; nationalisme, antisemitisme en racisme. En dat is heel gevaarlijk want het ondergraaft de overheidsloyaliteit.
    Het klinkt wel lekker en is wel gemakkelijk om Sukarno met deze mensen te vergelijken, maar dan vergelijk je wel koeien met paarden, laat staan dat het empirisch is.

    Dat de Kempetai een relatief milde straf kreeg is opmerkelijk. Uit de bijzondere strafrechtpleging na de oorlog werd meer naar de opdrachtgevers als naar de uitvoerenden gekeken, tenminste in Nederland. Misschien was de rechtstoepassing in Indie anders omdat de situatie anders was, bvb in een oorlogssituatie is het moeilijk recht te spreken

  11. Jan A. Somers zegt:

    - “een Japans mismaaksel” Daar kan ik ook niets aan doen. Het waren geldige, officiële mededelingen die door de Indonesiërs in dankbaarheid werden aanvaard. Zie hierover ook de kranten. Er werd overigens niet alleen beloofd, op 10 augustus werd dit in Dalat, nabij Saigon, als keizerlijk decreet overhandigd aan Soekarno, Hatta en Radjiman. Propaganda, OK, maar het kwam wel duidelijk over.
    - Ja, die Indo-Europeanen en Romusha’s konden niet zo dankbaar zijn, maar er waren wel miljoenen anderen. Denk bijvoorbeeld aan de terugkomst van Soekarno c.s. in Batavia op 14 augustus. met een groots welkom, zowel van de Indonesiërs als de Japanse autoriteiten. En dat na de atoombommen van 6 en 9 augustus.
    - Over de rede van koningin Wilhelmina kan ik hier niets zeggen, dat was een moment uit een lange ontwikkeling die nog lang niet tot een eind was gekomen.
    - Dat buigen was niet in concentratiekampen, maar in volledige vrijheid! Prachige foto’s.
    - Op de reclame-foto’s voor de werving van romusha’s werd niet gebogen, wel een wuivende Soekarno met hardwerkende Indonesiërs, zonder Japanners.
    Dit alles, samen met de uitgezonden anti-geallieerde radiotoespraken mogen toch wel de basis zijn voor een mening over politieke opvattingen?
    Het lijkt mij dat bij de berechting van bijvoorbeeld Kenpeitai-mensen er een gebrek was aan duidelijke getuigenverklaringen. In Nederland kreeg ik een formulier in te vullen waarbij gevraagd werd naar de namen van mijn behandelaars. Daar kon ik nauwelijks antwoord op geven. Zij zijn nooit aan mij voorgesteld. De Indonesische ondervragers helemaal niet. Van berechtingen zijn natuurlijk wel dossiers beschikbaar geweest. Maar ik ben nooit formeel berecht geweest, en het gebouw van de Kenpeitai in Soerabaja is verwoest, zodat er niets meeer was. Van een oorlogssituatie was overigens geen sprake, ik was toen al in Nederland en heb gehoord dat het allemaal keurig is verlopen. Dat ik zelfs in Nederland nog om informatie werd gevraagd! Mijn opvattingen worden vaak als formeel weggezet, maar dat men daarginds de moeite heeft genomen mij formulieren toe te sturen wijst toch op een prachtige bureaucratische organisatie.

  12. j.w.hoegen. zegt:

    soekarno riep de mannen op als romusha te gaan werken voor de jap en riep de vrouwen op hun seksuele diensten aan de japanse soldaten te bieden.
    normaal toch ?

  13. http://www.geschiedenis24.nl/speler.program.7092374.html

    Bovenstaande geeft een iets genuanceerd beeld op dat gebeuren

    • Ed Vos zegt:

      Wijlen mijn vader vertelde me ooit een verhaal over het kamp waar hij zich bevond (Birma?) en er voor een barak o.i.d. een lange rij mannen stond. Hij zag daar een vriend en vroeg wat hij daar deed. Die vriend antwoordde dat hij uit niwuwsgierigheid ook maar in de rij ging staan; totdat mijn vader hem vertelde dat men in de rij stond voor een bezoek aan een prostituee.

      Helaas was ik niet zo geinteresseerd in zijn Jappenkampverhalen. Dus ik vond het slechts een grappig verhaal.

      Jammer dat de man niet meer leeft, want gedwongen of niet, is het alom bekend dat andere mannelijke kampbewoners behalve Jappen (of Koreanen) ook gebruik maakten van de diensten van een prostituee? Wat waren dat dan voor prostituees? Dat is mijn vraag.
      Ja, we kunnen hier wel een beetje schijnheilig zitten te doen, maar de realiteit kan hard zijn en ook beschamend.

      - ja dat Soekarno de Javanen (helaas moet ik er bij zeggen) opriep om voor hen te werken was zijn “goed” recht. Voor wie moesten zij dan werken? Daendels van de Grote Postweg was er toen niet.
      Mijn vader bevond zich ook een aantal jaren in Jappendienst.

  14. Vera Hager zegt:

    Hallo Bert, Graag wilde ik weten of er records bestaan van de gevangenen die in de Ngawi gevangenis waren. Mijn man, Richard Hager was ter dood veroordeelt op de 29e Augustus, maar omdat de Japanners capituleerden op August 15, ging dat vonnis niet door. Gelukkig maar!
    In ieder geval zou ik het apprecieeren als je een antwoord hier voor hebt.

  15. A Nony Mouse zegt:

    Een kwestie van nog meer onbegrip en tirannie in Nieuw Guinea. Twee Franse journalisten werden veroordeeld omdat ze hun werk deden met een toeristenvisum. Waar is de Indonesische regering bang voor, en welke misdaden hebben de twee ontdekt? Roy Greenslade van de Guardian is me al voorgegaan.

    http://www.theguardian.com/media/greenslade/2014/oct/17/press-freedom-indonesia

    http://www.thejakartapost.com/news/2014/10/24/4-months-jail-sought-french-journos.html

  16. A Nony Mouse zegt:

    Geheime (under cover) beelden via YouTube. http://www.youtube.com/watch?v=CaGou3vB3A0

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s