Het Protestants Kindertehuis ‘West-Java’ (PKWJ) en de landbouwschool in Bantar Peteh
Een kilometer of twee ten zuiden van Buitenzorg, aan de weg naar Soekaboemi en deel uitmakend van de wijk Soekasari, ligt de buurtschap Bantar Peteh. Voor de oorlog waren hier twee instellingen gevestigd die een opvoedende taak hadden: het Protestants Kindertehuis West-Java (PKWJ) en de de Middelbare Landbouwschool. Tijdens de Japanse bezetting was de geschiedenis van deze beide instellingen nauw met elkaar verbonden.
Het kindertehuis, onder leiding van directeur W.F. Kiesling en begeleidster mejuffrouw Blom, had een jongens- en een meisjesafdeling. Er woonden niet alleen wezen en halfwezen, maar ook kinderen van personeelsleden van cultures in de omgeving die hun kinderen hierheen zonden in verband met het onderwijs. Op het terrein van het tehuis was tevens een school gevestigd.
Naast het Protestants Kindertehuis was er nóg een kindertehuis in Buitenzorg, het rooms-katholieke tehuis van de Vereniging Vincentius. Dit laatste weeshuis, aan de Bantammerweg in het centrum van Buitenzorg, was gelieerd aan het klooster van de zusters Ursulinen. Ook dít weeshuis had een jongens en een meisjesafdeling.
De landbouwschool werd geleid door de heer G.D.E. Braches, totdat deze in verband met zijn Duitse afkomst in mei 1940 werd geïnterneerd. Zijn opvolger was de heer Rotte. De 100 à 120 jongens (Indo-Europees en Inlands), werden opgeleid tot landbouwer. Er heerste een strenge discipline.
Rampok
De eerste oorlogshandelingen moeten de kinderen bang hebben gemaakt. Japanse vliegtuigen scheerden over Buitenzorg. Een paar dagen later trokken Australische militairen aan het tehuis en de school voorbij. Dominee J.A. de Klerk schreef enkele weken later aan het bestuur van de Protestantse kerk in Batavia:
´De bezetting had plaats in de nacht van 5 op 6 maart. Buitenzorg en omgeving zijn zwaar geteisterd door uit inheemschen bestaande rampokbenden. Tenslotte heeft de bezettende macht zelf daaraan een einde gemaakt met behulp van onze politie. (…)
Zwaar geleden heeft het Protestantse Kindertehuis “West-Java”. De rampokkers hebben praktisch alles geroofd en veel vernield. De gehele inventaris met het kasgeld is weggehaald. De schade wordt getaxeerd op f. 10.000,-, terwijl er voor f. 1000,- aan geroofde goederen is teruggebracht.
Gelukkig waren de meisjes naar het S.O.G. toen hun huis door onze militairen gevorderd werd. De jongens en kleuters waren er nog, maar hebben tijdens de rampokpartij in de ketella gezeten. Allen zijn ongedeerd. Gastvrijheid werd verkregen bij “Jeugdlandbouw”. Momenteel slaapt een gedeelte in het jongenshuis.´[i]
Met ´in de ketella´ doelde De Klerk hier op het feit dat de kinderen kort voor deze gebeurtenissen de cassavevelden waren ingestuurd. Eén van de kinderen herinnerde zich later:
‘Wegens de dreigende komst van Japanse soldaten neemt een begeleider van het internaat een groep van ongeveer 40 kinderen, in de leeftijd van ongeveer 6 tot 9 jaar, onder zijn hoede en vlucht met hen de bergen in. Directeur Kiesling wacht in het internaat de komst van de Japanners af.
De begeleider en de jongens vinden onderdak in een smerige stal waar ze kunnen overnachten. Van buurtbewoners krijgen de jongens cassave te eten.
Wanneer na enkele dagen het bericht binnenkomt dat de heer Kiesling is opgepakt, keert de groep naar het internaat terug. Al van verre zien ze dat het tehuis is geplunderd.´[ii]
De landbouwschool
Het kindertehuis bleek geheel onbruikbaar geworden. Gelukkig konden de kinderen en hun begeleiders terecht bij de aangrenzende landbouwschool. Samen met enkele achtergebleven oudere jongens van de Landbouwschool moesten ze nu dagelijks het land bewerken: patjollen, oebi rooien e.d.. Na enkele weken vertrokken de kinderen die nog een vader of moeder hadden naar huis. Ook de leerlingen van de landbouwschool – niet intern gehuisvest – verdwenen uit het beeld.
Gedurende ongeveer anderhalf jaar bleef de groep van het kindertehuis op de landbouwschool gehuisvest. Omdat de heren Kiesling (kindertehuis) en Rotte (landbouwschool) geïnterneerd waren, evenals al het overige blanke personeel, viel de leiding van de groep toe aan Fien Mengko.
Zij herinnerde zich later:
‘Direct na de Japanse inval werden de Nederlandse leidsters gevangen genomen en weggevoerd. Ik werd toen hoofd van het tehuis te Buitenzorg en was verantwoordelijk voor ca. 70 kinderen. Op een gegeven moment (tussen maart en december 1943) werden 11 oudere jongens door de Japanners meegenomen. Ik ben toen naar het hoofdkwartier van de Kenpeitai gegaan en heb gesmeekt om hun vrijlating. (…)
Omdat vele kinderen ziek werden en er niet voldoende te eten was, moest ik zonder schoenen op pad om medicijnen en voedsel te vinden. (…) Ik was ook altijd erg bezorgd om de meisjes; gelukkig is het me gelukt de Japanse soldaten bij ze weg te houden. Wel leefde ik in voortdurende angst en sliep haast niet meer.´[iii]
In december 1943 vorderden de Japanners de gebouwen in Buitenzorg, en Fien Mengko en de kinderen moesten nu met de trein naar Soekaboemi. Hier werden ze ondergebracht in het SOG (Soekaboemisch Opvoedings Gesticht), waar op dat moment ongeveer 300 kinderen verbleven.[iv]
Het armenhuis, 1944-1945
Het achtergebleven schoolgebouw kreeg vervolgens een nieuwe bestemming. Enkele getuigen:
‘In ca 1943 vertrok de hele familie vertrok naar Bantar Peteh, een oude school, waar veel gezinnen bij elkaar zaten. Ook moeder had zich bij hen gevoegd, want haar man was geinterneerd. Ieder zorgde voor zichzelf en zijn moeder bakte kroepoek, die ze elders aan de man brachten. De school was gedeeltelijk afgezet met gedek, maar zij konden wel naar buiten.’[v]
‘De lokalen waren afgeschermd met lappen en dekens. Hij sliep er op een half versleten matras. Ze moesten er zelf voor hun eten zorgen, zodat er een lap grond bij de school bewerkt werd om groenten te verbouwen.’[vi]
‘Samen met de vrouwen en kinderen van de families George, Belle, Lammers van Torenburg, Sabillo en Schrijn werd haar eigen familie een jaar later in het armenkamp/(landbouw)school Soekasari/Bandar Peteh geplaatst. (…) Het was een groot gebouw met veel lokalen, en een groot terrein dat omheind was met schuttingen. Ieder gezin kreeg een eigen lokaal waar zij konden verblijven. Zelf bleef zij met moeder en kinderen in één van de negen lokalen op de begane grond. (…) Omdat het voedsel zeer gering was, namen de Japanners de vrouwen en kinderen twee maal per week mee naar een nabijgelegen boerderij van een Indisch iemand, waar hen extra voedsel werd verstrekt. De kinderen moesten binnen een ijzeren draad lopen, die door een Japanner vóór en een Japanner achter de stoet werd vastgehouden. Zij herinnert zich hoe de inlandse bevolking hen meewarig gadesloeg.’[vii]
Gelet op de verschillende getuigenissen mogen we aannemen dat het hier de landbouwschool betreft. De gebouwen van de school werden gebruikt als opvang voor arme, ontheemde Indo-gezinnen. Bij deze opvang was sprake van vrijwilligheid; men ging er uit eigener beweging naartoe. Gelet op het de aanwezige informatie werd het opvangkamp door de Japanners op nogal een losse wijze werd bestuurd. De aanwezigheid van gecultiveerde landbouwgronden maakt het aannemelijk dat de bewoners voor hun eigen voedsel moesten zorgen.
Het naastgelegen kindertehuis, tenslotte, werd ná de oorlog weer als zodanig in gebruik genomen. Voor zover bekend is tot op heden de naam Bandar Peteh verbonden met de opvang van ontheemde kinderen.
x
________________________
[i] Brief van Ds. J.A. de Klerk aan het bestuur over het begin van de Japanse bezetting op 5 en 6 maart 1942 en de daaropvolgende teistering door rampokbendes, onder andere van het Protestants Kinderhuis ‘West Java’. Buitenzorg, 23 maart 1942; ANRI AGPI 725.
[ii] Pelita, Wubo 238635.
[iii] Pelita, Wubo 235652. Niet duidelijk is of de jongens waar zij hier over spreekt naar het tehuis zijn teruggekeerd.
[iv] De datering wordt bevestigd in een verslag van het hoofd van het SOG, mevrouw Aletta Berkholst. Naar verluidt kwamen in december 1943 ongeveer 80 kinderen uit Buitenzorg op het SOG. Dit waren waarschijnlijk zowel kinderen van het protestantse kindertehuis Bantar Peteh alswel het rooms-katholieke kindertehuis van de Vincentius Vereniging. NIOD-IC 063111.
Zie: http://javapost.nl/2011/09/07/overleven-op-het-internaat-i/ .
[v] Pelita, Wubo 294438.
[vi] Pelita, Wubo 31844.
[vii] Pelita, Wubo 701123.




Wat fantastisch dat deze informatie bewaard is gebleven en nu toegankelijk is gemaakt !
Na de oorlog, ik dacht in 1945/46, kwam ik in het Kinderhuis “West Java”, na een verblijf in het “Prapatan” gesticht te Djakarta. De directrice was toen Mevr Brak, “Oma Brak” voor de kinderen. Ik dacht dat juffrouw Mengko er toen ook weer was, als 1 van de vele juffrouwen, ikzelf was toen 5/6 jaar. Ik herinner me ook een lieve Ambonese juf, “juf Mien”
Bij ons kwamen vaak de militairen van de AAT, en ene “Oom Jaap” gaf ons zanglessen. Ik weet nog dat bij zijn vertrek naar Nederland, wij het volgende lied voor hem gezongen hadden:
Het afscheid is nu weldra daar,dat gij naar verre landen gaat.
Heb dank voor alles wat U deed, voor al het werk aan ons besteed.
Het ga U goed, geef God U kracht, steeds sterke U een overmacht.
Tot aan de oevers van de zee, neem onze beste wensen mee,
Het afscheid van Uw kinderkoor, dringt lange tijd Uw harte door.
Ik moet zeggen, dat het de mooiste tijd van mijn jeugd was.
Ron Smit
Bijzonder om dit tegen te komen. Dominee J.A. de Klerk was mijn grootvader. Ik ben op zoek naar informatie over mijn grootmoeder, zijn vrouw, Drs. De Klerk-Smitt. Zij was ook theologe en heeft in de kampen pas haar beroep als (vrouwelijke) dominee mogen/kunnen uitoefenen (is toen speciale ontheffing voor gevraagd). Zij deed dat met veel liefde.