Misère in Bandoeng

Over de oorzaken van een overstroming

Op 26 november 1945, midden in de Bersiapperiode, verscheen in de Bataviase krant De Nieuwsgier het volgende bericht:

Misère in Bandoeng. Vierduizend personen in Bandoeng zijn dakloos geworden ten gevolge van een overstroming van de Tjikapoendoeng. Er zijn tot dusverre 12 doden. Volgens berichten van vluchtelingen is de overstroming een gevolg van sabotage door extremisten; de Republikeinse autoriteiten echter zeggen, dat de ramp alleen te wijten is aan de zware regenval.”

Verdere berichtgeving ontbrak. De Nieuwsgier kwam er later niet meer op terug. Een dag later sprak de leiding van het plaatselijke Tjihapitkamp zelfs van ‘tenminste’ duizend slachtoffers.

Een bandjirrende rivier in Indië

Toevallig of niet, de overstroming kwam net op een tijdstip dat de stad zwaar te lijden had van opstandige pemoeda´s. De relatie tussen het natuurverschijnsel en de jeugdbendes was dan ook snel gelegd. Dat aan deze versie nauwelijks meer werd getornd, blijkt uit aanvragen in het kader van de Wet uitkeringen Vervolgingsslachtoffers (Wuv) en Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers (Wubo). Ook daarin wordt de schuld vaak gelegd bij de extremisten. Wat de werkelijke reden van de overstroming is geweest, is echter nooit achterhaald.

Eerdere overstromingen

Soms lijkt het wel alsof we vergeten dat tijdens oorlogsjaren ook gewone gebeurtenissen kunnen plaatsvinden. En dat bijvoorbeeld zoiets alledaags als het weer gewoon zijn loop kan hebben. De overstroming van 1945 was namelijk helemaal niet nieuw.

De neerslag in Bandoeng is aanzienlijk. Volgens de officiële statistieken valt in de stad zelf een ruime 1000 mm regen per jaar, maar in de bergen ten Noorden van de stad wel zo’n 3000 mm, verreweg het meeste in het regenseizoen, van november tot april. Verder speelt het verval van de Tjikapoendoeng een belangrijke rol. Binnen de gemeentegrenzen van de stad, over een afstand van ongeveer 10 kilometer, daalt het water bijna 100 meter. Dit maakt het risico van overstromingen aanzienlijk.

Ook voor de oorlog had Bandoeng al een lange historie van overstromingen. Van de vooroorlogse jaren zijn vooral de overstromingen bekend van 1921 en 1931. Dat het ook tijdens de bezettingstijd kon stormen, blijkt uit het dagboek van de ondergedoken journalist Jan Bouwer. Op 31 oktober 1943 noteerde hij: “Er is een miniatuurtyphoon, gepaard gaande met een wolkbreuk over de stad geveegd. Talloze bomen werden ontworteld, vele kamponghuizen omver geblazen.”

Wat gebeurde precies op 25 november 1945?

Het bijzondere aan de overstromingen van november 1945 is wel dat deze plaatsvonden tijdens het Bersiapgeweld. De Bandoengse Rapwi-secretaris R.B. Quack schreef: “Overal in de stad braken onlusten uit. De spanning steeg. Op zondag 25 november kon de explosie niet meer worden voorkomen. ´s Avonds werden het Preanger Hotel en Homann Hotel onder vuur genomen. Een enorme bandjir van de Tjikapoendoeng, waarvan de vloedgolf zich over de stad uitstortte, vergrootte de verwarring.´

Bandoeng tijdens overstroming in 2005

In het kader van Wuv- en Wubo-aanvragen werden vele verhalen opgetekend van ooggetuigen. Alhoewel ook dáárin vele keren beschuldigend werd gewezen naar de extremisten, werd soms ook wel gesteld dat het gewoon toeval was, of zelfs mogelijk een list van de Geallieerden om de extremisten af te leiden. Uit deze verklaringen kan in ieder geval geen eenduidige conclusie worden getrokken, al was het alleen al omdat niemand precies weet waaruit de veronderstelde sabotage heeft bestaan. Werden dijken doorgestoken? Sluizen opengezet? Niemand weet het.

Bijzonder is ook dat de officiële Geallieerde militaire bezetting van Nederlands-Indië in haar rapporten met geen woord repte over de overstroming. Klaarblijkelijk droeg het gebeurde naar het oordeel van de Britten geen militair – subversief – karakter. ‘Het weer’ was een factor die los stond van de oorlogsvoering.

De gevolgen

Het aantal slachtoffers is nooit bekend geworden. Als we de waarheid in het midden laten dan mogen we misschien uitgaan van vele tientallen drenkelingen, vermoedelijk voor het overgrote deel onder de Indonesische bevolking. Bijzonder is wel, dat het gebeuren voor een aantal Indo-Europese ingezetenen van de stad ook een voordeel had. Door de totale ontreddering in Zuid-Bandoeng konden ze naar het veiliger Noorden vluchten. Bleek voor sommigen de overstroming een verzwaring van de omstandigheden, voor anderen was het een redding.

Alles samengevat moeten we concluderen dat de overstroming – in andere tijden een geaccepteerd natuurverschijnsel – nú door de bijzondere omstandigheden geïnterpreteerd werd als het gevolg van sabotage. Waarschijnlijk ten onrechte, maar da’s natuurlijk wijsheid achteraf.

 

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in Pelita Nieuws,  jaargang 16, nr. 4, februari 2010.

About these ads
Dit bericht werd geplaatst in 3. Bersiap en Merdeka, 1945-1949 en getagged met , , , , , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

3 reacties op Misère in Bandoeng

  1. Ami Emanuel zegt:

    Wonend op Kebon Djoekoet Noord 11, gelegen aan de spoorbaan tussen de Residentsweg en de Tjikapoendoeng met het spoorviaduct, was het die morgen van 25 november 1945 buiten buitengewoon donker met gestadig vallende zware regen en geheel verlaten straten. Het volkomen onheil spellend beeld van hetgeen zou gaan gebeuren.
    In de namiddag vroeg tante Ootje of ik met een huisgenoot naar het Tjihapitkamp zou willen gaan om er huisvesting te vinden voor het geval gevlucht zou moeten worden.
    Om ± 17.00 gingen wij met de fiets via de Landraadweg, langs Protestantse en R-K,. kerk, Javastraat en Bilitonplein naar Tjihapit waar wij een vrije kamer vonden op de Noorder Kampementstraat 54 en met houtskool “Bezet door fam. Berhitoe, Emanuel, etc.” op de muur schreven.
    Met onze ‘ban-mati’ reden wij behoedzaam (het aflopen van de grotere diameter van de massieve banden van de velgen voorkomend) door op de straathellingen stromend water en diepe plassen als enigen op de verder ‘doodstille’ weg. Bij de ingang van het S.S. hoofdkantoor lagen Pemuda’s achter zandzakken, die zich rustig hielden.
    De volgende qua weer gelukkig normale dag zijn wij terug gereden en hebben wij de familie via een toevallig langsrijdende truck van de in het Jaarbeursgebouw gevestigde MTD -die personen op Kebon Kawoeng en haar zijstraatjes evacueerde- naar onze nieuwe verblijfplaats in het beschermde Tjihapitkamp kunnen afvoeren.
    Van de Tjikapoendoeng herinner ik mij slechts dat het water er heel hoog stond en er allerlei afval in dreef.
    Met de conclusie van ‘Buitenzorg’ over de onbekende oorzaak van een overstromende Tjikapoendoeng onder de omstandigheden van de in Bandoeng begonnen ‘bersiap’ en de abnormale regenval kan ik echter na lezing van de beschikbare literatuur eens zijn: helaas niet (meer) goed vast te stellen.

  2. Ton Iken zegt:

    Wat mij bij is gebleven van de grote bandjir van de Tjikapoendoeng was een groot gat dat in de brug was geslagen bij de Engelbert van Bevervoordeweg, nabij het standbeeld van pastoor Ter Braak. Als ik het mij goed herinner was er desondanks toch nog verkeer over de brug mogelijk. Eventuele andere schade staat mij niet meer zo goed voor ogen. Wij woonden aan de Lembangweg, dus op een redelijk grote afstand van de rivier, zodat daar zeker geen directe schade waar te nemen was. Zelfs de lagere school die vlak aan de rivier lag, zou – naar ik mij herinner- geen grote schade hebben opgelopen.

  3. Mary Joyce Hardey zegt:

    Geachte Heer Immerzeel

    Wij ( mijn moeder , mijn 2 broertjes, mijn zusje en ik) woonden aan de Engelbert van Bevervoorde weg in Bandoeng.
    Aan het einde van deze straat stroomde een rivier met aan de overkant een kampong, een brug over de rivier verbond de weg met de kampong.
    Die nacht verwachte mijn moeder rampokkers uit die kampong, want die hadden steeds langs de huizen gelopen en hadden brutaal naar binnen gekeken. Iets dat nooit eerder was gebeurd.
    Alle ramen en deuren waren gebarrikadeerd met grote kasten.

    De afspraak met de Japanse commandant ( die door de Engelsen de orde moesten bewaren) was, dat als hij een seintje kreeg , dat hij zijn manschappen naar beneden zou sturen om de rampokkers weg te jagen.
    Dat was de avond ervoor gebeurd, op het moment dat mijn moeder de lawaaierige meute hoorde aankomen stak zij een grote gentongan ( door mijn broer gemaakt: stuk bamboe met een spleet , waar je op slaat en dat geluid draagt ver) uit het raam en sloeg erop, de gewaarschuwde buren namen het over en sloegen op potten en pannen en deksels, en de Jappanners, kwamen met bajonet op het geweer de rampokkers verdrijven.

    Die bewuste avond begon het heel hard te regenen, het was een groot oorverdovend watergordijn, waardoor je geen ander geluid meer kon horen, dus ook niet eventuele aanvallers.
    In doodsangst zaten we die nacht te wachten op wat er zou kunnen gebeuren. Maar er gebeurde helemaal niets. Toen het eindelijk licht werd en mijn moeder en mijn oudste broer voorzichtig naar buiten keken en gingen, was er niets vreemd te zien, overal kwamen de Nederlanders uit hun huisen toen bleek dat die nacht door de grote regenval, de brug was weggeslagen en dat de kampong blank stond.
    Dat was onze redding, niet lang daarna zijn we gevlucht via Batavia naar Singapore, waar we herenigd werden met mijn vader, die daar gevangen had gezeten.

    Ik had U deze reactie op Uw verhaal al veel eerder willen sturen.
    Dank voor al Uw goede artikelen!
    Mary Joyce Hardey
    Vienna, Virginia
    USA

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s